Desiderius Erasmus (1469-1536); Lichtgeraakt en dubbelzinnig

James D. Tracy: Erasmus of the Low Countries. University of California Press, 297 blz. ƒ 88,95

Eerst is er de muts. Dan is er de man.

Kijkend naar een afbeelding van Erasmus, gaat de blik automatisch eerst naar het hoofddeksel: een vierkanten baret met ribbels. Hij doet vaag denken aan de bonnet waarmee katholieke priesters vroeger het altaar opkwamen (uitsluitend om hem onmiddellijk weer af te zetten), alleen loopt hij bij Erasmus dieper door in de nek en lijkt hij met watten opgevuld. Die muts is in de loop der eeuwen zoiets als zijn handelsmerk geworden. Er is ooit een pocketuitgave van de Lof der zotheid verschenen met op de voorplaat alleen dit hoofddeksel, gedrapeerd over een glazen kop en opgesierd met wat serpentines en een feestneus.

Zelfs schrijvend moet Erasmus zijn muts hebben opgehouden. Zo beeldden althans Hans Holbein en de Antwerpse schilder Quinten Matsys hem af. Het zal koud zijn geweest in de scriptoria en studiekamers waar Erasmus werkte en hij had geen sterk gestel. De kraag van zijn gevoerde jas is op die portretten steeds hoog opgeslagen. Ternauwernood steken de handen kouwelijk uit de mouwen.

Tussen die ouderwetse kraag en muts valt het gezicht nogal uit de toon. De gelaatstrekken van Erasmus zijn uitgesproken modern. Bij Matsys staart zijn blik peinzend over het geschrevene vóór hem heen, even goed passend bij een op inspiratie wachtende schrijver als bij een sympathiek luisterende ambtenaar van de sociale dienst.

Daarentegen houden ze op Holbeins portret onaangedaan en zelfs enigszins hautain toezicht op wat de handen aan het schrijven zijn. Erasmus' gezicht zou dat van een beleidsmaker in Franse staatsdienst kunnen zijn, zelfbewust in zijn intellectuele superioriteit. Maar juist op dat portret weerleggen de handen alle eigentijdsheid. Ze hebben ringen aan vingers waar we ze nu nooit meer aan zouden steken en ze zijn er te naïef voor geschilderd. Hoe anatomisch correct ook, ze liggen als onbezielde voorwerpen op het papier, zonder de levendige individualiteit die het gezicht nu juist zo krachtig uitdrukt.

Volgens de Amerikaanse historicus James Tracy, hoogleraar aan de universiteit van Minnesota, was Erasmus een man die de revolutionaire tekenen van zijn tijd verstond, zonder zich geheel te kunnen losmaken van de orde waarin hij was geboren. In zijn onlangs verschenen biografie tekent hij hem als een figuur tussen twee culturen, wiens werk, denken en persoonlijkheid als gevolg daarvan voortdurend door incoherentie werden bedreigd. Heeft Holbein die dubbelzinnigheid doorzien? Opzettelijk of niet, zijn portret, dat het stofomslag van Tracy's boek siert, lijkt daarvan in ieder geval een sprekende illustratie te zijn.

Superieur aureool

Tracy's biografie is grotendeels een intellectuele levensbeschrijving geworden, waarin de persoonlijke lotgevallen minder belangrijk zijn dan de analyse van Erasmus' denkbeelden en geschriften, en de zoektocht naar de invloeden die hij onderging en zelf uitoefende. Anders dan Huizinga in de jaren twintig deed, probeert Tracy geen meeslepend verhaal te vertellen door Erasmus zo dicht mogelijk op de huid te gaan zitten. Had het boek Erasmus' levensgeschiedenis niet in grote trekken gevolgd, dan zou men zelfs aarzelen dit vooral thematisch gecomponeerde portret een biografie te noemen.

Tracy's benadering is afstandelijk en baseert zich vooral op een niet-vooringenomen en daardoor vaak onthullende analyse van de teksten die Erasmus naliet. Het aureool van morele superioriteit, dat lang rond zijn muts straalde, heeft daardoor wel wat aan glans ingeboet. Erasmus blijkt een man van grote talenten, maar van niet minder grote tekortkomingen te zijn geweest. Hij was een eminent geleerde, die dat zelf maar al te goed wist en zich daardoor nogal eens vergaloppeerde. Een man die bovendien minstens zo zeer behoorde tot de laatmiddeleeuwse wereld die hij achterliet, als tot de moderne wereld die hij hielp te ontsluiten.

In de afgelopen jaren publiceerde Tracy, die in de jaren zeventig op Erasmus promoveerde, twee studies over het politieke en economische bestel van het Habsburgse rijk en de plaats van de Lage Landen daarin. De inzichten die hij daarmee opdeed, zo schrijft hij in zijn voorwoord, wierpen een nieuw licht op de figuur van Erasmus. Als gevolg daarvan is er ook in het nu verschenen Erasmusboek een sterke nadruk komen te liggen op de sociale wereld die Erasmus maakte tot wie hij was. Dat was, schrijft Tracy (in aansluiting op Huizinga, naar wiens Erasmus-biografie Tracy maar één keer verwijst) eerder een Bourgondische dan een typisch Hollandse wereld. Als hij al een produkt van de Low Countries was, dan vooral als 'Beneluxer'.

Toch verloochent zijn Hollandse afkomst zich ook voor Tracy niet helemaal. Wees Huizinga op Erasmus' 'Nederlandse' deugden als zachtzinnigheid en gematigdheid, voor Tracy verraadt die achtergrond zich - wat diffuser - in het door Erasmus gekoesterde gemeenschaps-ideaal van gelijkgestemde zielen die elkaar onderling bijstaan en verdedigen bij tegenslag en dreiging van buitenaf. Daarin ziet hij de geest van de gilden en broederschappen terug die in Nederland zo lang hun invloed hebben kunnen doen gelden.

'Nederlands' is Erasmus volgens Tracy dus niet op grond van ethische maar van maatschappelijke waarden. Dat is een conclusie die, gezien zijn sociaal-historische benadering, niet hoeft te verwonderen. Opmerkelijker is wel dat dat ideaal van onderling solidaire 'orden' ook in Erasmus' tijd al tamelijk ouderwets was. Het behoorde eerder bij de laat-middeleeuwse dan bij de aanstormende vroeg-moderne tijd, al heeft het zich in Nederland nog zeer lang kunnen handhaven. De verleiding is groot zelfs Kuypers' 'soevereiniteit in eigen kring' en de naoorlogse 'overleg-economie' (inclusief het nu zo succesvolle 'polder-model') in het verlengde van die traditie te plaatsen.

Frictie

Zo ver gaan Tracy's speculaties niet. Eerder wijst hij op de tegenstelling in Erasmus' denken tussen deze verborgen middeleeuwse erfenis van particulariteit (alle standen hebben hun eigen rechten en samenhang) en de moderne geest van algemeenheid (ieder mens maakt op dezelfde manier deel uit van het geheel) die hij in zijn geschriften juist zo openlijk belijdt. Die frictie is volgens Tracy een van de belangrijkste oorzaken van de incoherentie van zijn oeuvre.

Als Erasmus íets bepleitte, dan was het immers de eenheid van de christenheid die door geen enkele bijzondere orde of stand mocht worden doorbroken. Daarmee liep hij ongetwijfeld vooruit op reformatorische denkbeelden, waarin zelfs het onderscheid tussen leken en priesters als strijdig met het evangelie gold. Dat ging Erasmus veel te ver, maar wel hamerde hij onafgebroken op het schandaal van de christelijke broederstrijd binnen de kerk, waarvoor hij de kloosterorden verantwoordelijk stelde. Zij perverteerden in zijn ogen de christelijke deugd met hun intriges, machtshonger en lustbejag. In plaats van hemelse vrede heerste er in de kerk een bijna permanente staat van burgeroorlog, die door de strijd om hun particuliere belangen en voorrechten voortdurend oplaaide.

Een groot deel van Erasmus' inspanningen is heengegaan met die niet aflatende botsing met de kloosterorden, vooral met de machtige Dominicanen, die vóór de komst van de jezuïeten het intellect van de kerk vertegenwoordigden. Tegenstrijdig was daarmee niet zozeer het feit dat hij ook zelf tot een kloosterorde behoorde. Omstreeks 1487 was hij ingetreden bij de Augustijnen van Steyn (bij Gouda), maar die ervaring heeft zijn afkeer van 'de monniken' eerder gestimuleerd dan verzacht. Wonderlijk was vooral dat hij dit verzet tegen verdeeldheid en particularisme gedragen zag door een (informele) groep van gelijkgezinden die niettemin alle kenmerken van een klassieke ordo had.

Die tegenstelling is niet de enige die Tracy aanwijst, al gaan de andere hier wel grotendeels op terug. Zo toonde Erasmus zich met zijn oproep tot tolerantie in religieuze aangelegenheden ongetwijfeld een verlicht denker. Maar aan een levensbeschouwelijk pluralisme dat we nu met het begrip 'verdraagzaamheid' verbinden was hij nog lang niet toe. Tolerantie was bij hem eerder een kwestie van politieke prudentie dan van beginsel. Aan het einde van de weg stond een herstelde concordantia (overeenstemming), waarin alle verschillen zouden zijn weggestreken.

Dat men dat doel beter met redelijke verdraagzaamheid dan met geweld kon bereiken, sprak voor deze voorvader van de overleg-cultuur niet vanzelf. Dat weerhield hem er overigens niet van soms de hulp in te roepen van machtige relaties om de controverses waarin hij verwikkeld was te beslechten. Hoe gematigd hij ook wilde zijn, soms kon hij hardop verlangen naar een vorst als Hendrik VIII, die zijn tegenstanders tenminste krachtig de mond durfde snoeren.

Strijdlustig

In werkelijkheid was de man die als een vredesapostel de geschiedenis in zou gaan bepaald niet afkerig van een goed robbertje vechten, schrijft Tracy. En daarin werd hij op zijn wenken bediend. Niet alleen door de Dominicanen, maar door vrijwel alle kloosterorden én door de conservatieve meerderheid aan de Europese universiteiten (vooral in Leuven) werd hij genadeloos aangevallen. De formele inzet daarvan waren veelal theologische en exegetische strijdpunten, maar persoonlijke afkeer moet daarbij zeker een rol hebben gespeeld. Erasmus was er de man niet naar zijn tegenstanders te sparen en daarbij stak hij - evenals Abelardus vier eeuwen voor hem - zijn intellectuele superioriteit meestal niet onder stoelen of banken.

Hij was er bovendien de man niet naar om onheusheden gemakkelijk over zijn kant te laten gaan. Zijn stekelige polemieken verraden een lichtgeraakte persoonlijkheid, die snel in de pen klom en zijn tegenstander niet gemakkelijk losliet. Merkwaardig genoeg wijst Tracy, die zoveel aandacht schenkt aan de sociale en politieke omstandigheden, niet op de invloed die de drukpers op die polemische productie heeft gehad. Erasmus kon een dergelijke pennenstrijd alleen maar voeren doordat de nieuwe vermenigvuldigingstechnieken een snelle productie en verspreiding van zijn verweerschriften mogelijk maakte. Volgens Huizinga ging het daarbij in feite om een soort journalistiek avant-la-lettre, die Erasmus in zijn ogen vaak van gewichtiger zaken afhield.

Erasmus' belangrijkste prestatie is ongetwijfeld zijn tekstkritische uitgave van het Nieuwe Testament geweest. De Latijnse Vulgata-editie die tot op dat ogenblik in de kerk gezaghebbend was, vertoonde talloze fouten en onnauwkeurigheden. Alleen een zorgvuldige bestudering van de Griekse grondteksten kon er - meende Erasmus - aanspraak op maken het Woord Gods zuiver te verstaan. Dat ook de theologie daardoor hier en daar moest worden bijgesteld, was onvermijdelijk, maar uiteindelijk zou ook de Kerk zelf daardoor worden gezuiverd.

Dat hij daarmee dicht in de buurt kwam van de Reformatie, moet hij wel hebben beseft en op veel punten sympathiseerde hij er ook mee. Niettemin was de katholieke kerk hem te dierbaar om een openlijke breuk te kunnen verkroppen. Het fanatisme van veel hervormers schrikte hem bovendien net zo af als het machiavellisme van een paus als Julius II (tegen wie hij een vernietigend schotschrift schreef, waarvan hij het auteurschap later leek te verloochenen). Tussen Luther en Erasmus bestond er echter nog een ander belangrijk verschil, waaraan Tracy weinig aandacht besteedt. Luther, die voor zijn vertaling van het nieuwe Testament eveneens naar de Griekse grondtekst terugging, werd daarbij in eerste èn laatste instantie gedreven door een bekommernis om het juiste geloof en de verlossing van de ziel.

Die bekommernis deelde Erasmus met hem, maar ze ging gepaard met een wetenschappelijke interesse die Luther vreemd was. Erasmus was vóór alles een man van de letteren: de bonae literae, zoals hij het noemde. De schoonheid van de taal (vooral de klassieke letteren) was voor hem een waarde op zich, en hetzelfde gold voor de zuiverheid van de tekst. Hij was voor alles een filoloog, geen theoloog of filosoof.

Erasmus' uitgave van het Nieuwe Testament vormde het voorlopig hoogtepunt van een nieuw wetenschapsideaal, waarin waarheid niet langer datgene was wat door traditie was gesanctioneerd, maar iets dat door onderzoek ontdekt kon worden. Wie de betekenis van de Schrift wilde achterhalen, moest allereerst te rade gaan bij de grondtekst, meende Erasmus. Pas daarna kwam het leergezag in het spel, dat steunde op een lange receptiegeschiedenis en dat zijn autoriteit niet aan het menselijk vernuft maar aan Goddelijke inblazing ontleende. Het tegen Erasmus ingebrachte verwijt dat de filologen zich aanmatigden te kunnen beslissen over het Woord van God, was dan ook niet helemaal ongegrond.

De bijbel

Het is de vraag of Erasmus dat verwijt begrepen heeft en zelfs of hij het kon begrijpen. Tenslotte had hij, met zijn van alle ongerechtigheden gezuiverde tekst in de hand, gelijk wanneer hij volhield dat zijn editie het 'originele' woord van God was. Maar daarmee verwierp hij wel de hele receptiegeschiedenis van de bijbel als irrelevant, en precies daarin had de katholieke traditie altijd geloofd. De openbaring is met de bijbel niet afgelopen, maar zet zich in de Kerk voort, meende zij. Daarom was de geschiedenis, inclusief de lotgevallen en vervormingen van de bijbeltekst, voor haar geen neutraal tijdsverloop, laat staan een bron van verwording. Ze vormde een voortgaande ontsluiting van het Woord Gods zelf, en dus van de waarheid.

Dat historische begrip van de waarheid zette Erasmus in zijn tekst-fundamentalisme overboord. Daarmee had hij wel het filologische, maar niet automatisch het (katholiek)theologische gelijk aan zijn kant. Wèl weer het protestantse gelijk, dat van een authentieke openbaringsgeschiedenis in de kerk nooit veel heeft willen weten. Niet ten onrechte verweten zijn tegenstanders hem dan ook dat zijn filologisch positivisme het pad voor de Reformatie effende. Het was de tragiek van Erasmus dat hij de juistheid van dat verwijt niet heeft kunnen onderkennen, omdat hij er slechts geborneerdheid en kwaadwilligheid in kon zien.

Hij was als geleerde scherpzinniger en dus moderner dan als theoloog en die (onbewuste) incongruentie maakte hem, ondanks de prudentie die hij in het theologisch mijnenveld steeds in acht nam, niet de ideale bemiddelaar tussen kerk en hervormers die hij had willen zijn. De voorzichtige middenkoers die hij in dat conflict trachtte te varen kwam hem bovendien op aanvallen van beide zijden te staan. Zij verweten hem niet duidelijk partij te kiezen en zich, als het er op aan kwam, te verschuilen achter slimme formuleringen die voor meerdere uitleg vatbaar waren.

Die dissimulatio (ontveinzing), die later door de jezuïeten zou worden vervolmaakt in het leerstuk van het 'geestelijk voorbehoud' (reservatio mentalis), vormde inderdaad een belangrijk onderdeel van zijn strategie. En hoezeer hij ook bezwoer dat ook Paulus en zelfs Jezus voor zo'n leugentje om bestwil niet waren teruggeschrokken, hij vervreemdde er soms zelfs goede vrienden mee.

Dubbelzinnigheden

Misschien werd hij ook daarbij slachtoffer van zijn eigen dubbelzinnige karakter. De slimheid waarmee hij zich in zijn teksten ongrijpbaar trachtte te maken is de schaduwzijde van zijn zelfbewuste intelligentie. Men kan zich voorstellen met hoeveel zelfvoldoening hij zijn subtiele formuleringen in elkaar knutselde, te weinig bedenkend hoezeer hij zijn tegenstanders daarmee onnodig tegen zich in het harnas joeg.

Dat hij zich daarbij zelfs op het begrip van zijn vrienden verkeek, is mede het gevolg van zijn idealistische voorstelling van de ordo van gelijkgezinde intellectuelen die niet meer dan een half woord nodig hadden om elkaar te begrijpen. Ook voor dat corporatisme waren de tijden te ruw en te bewogen geworden.

Zo grepen Erasmus' dubbelzinnigheden (de opzettelijke en de onbewuste) op onverwachte wijze in elkaar, maar het resultaat was niet gelukkig. Na zijn dood zou hij eerder als een draaikont dan als een verzoener worden beschouwd en zelfs zijn geliefde kerk zou een deel van zijn boeken (waaronder de Lof der zotheid) op de Index plaatsen en de andere duchtig censureren.

Toen zijn ster eenmaal opnieuw begon te rijzen, was dat, aldus Tracy, omwille van een tolerantie-ideaal dat hij zelf nooit had aangehangen, maar dat eerder op rekening van Coornhert moet worden geschreven. Erasmus was een groot geleerde, maar geen groot filosoof en al helemaal geen wijze. Als voorbeeld van bezadigde verdraagzaamheid werd hij het symbool van iets dat hij maar zeer ten dele belichaamde, zoals zijn muts ten slotte symbolisch werd voor hem.