De marktwaarde van het vrije woord

Newsletter. Fund for Central and East European Book Projects, Jan van Goyenkade 5, 1075 HN Amsterdam.

In 1991 vervoegde zich een vertegenwoordiger van Elsevier in Moskou. Hij kwam kwartier maken. Althans, hij moest uitzoeken of er op de nieuwe Russische markt kansen voor de wetenschappelijke uitgeverijen van Elsevier lagen. In een Spaanse bodega aan het Manegeplein in Moskou, een van de eerste verworvenheden van de dollarisering in de voormalige Sovjet-Unie, besprak hij de mogelijkheden met een landgenoot die in Rusland werkzaam was.

Het werd een geanimeerd gesprek. Over de problemen van management in het oude socialistische rijk, over de gevaren van corruptie en eventuele razborki (afrekeningen) en over het gebrek aan koopkrachtige vraag aan de universiteiten en instituten. Maar ook over het wetenschappelijke potentieel in Rusland en de mogelijkheden om Oost en West kennis te laten nemen van wederzijds onderzoek.

Van Elsevier is sindsdien niets meer vernomen in Rusland. Met een joint venture op 'zeer marginale basis' is het bedrijf al tevreden. 'We vinden het niet zo belangrijk', aldus Elsevier. Net als bij veel andere ondernemers in Nederland, is ook daar het adagium kennelijk: je moet wel weten wat je rendement is, de tijd van hopen is voorbij.

Een jaar later zat dezelfde adviseur-in-vrijwillige-dienst om de tafel met de hoofdredacteur en directie van het Engelse tijdschrift Nature. Binnen een half jaar opende Nature een bureau in Moskou. Het blad zit er nog.

Sinds kort heeft Nature gezelschap van onder andere Wolters-Kluwer, een bittere concurrent van Elsevier. Anders dan Elsevier is Wolters-Kluwer op de voormalige socialistische markt als een razende Roeland in de weer. De uitgever heeft de laatste jaren maar liefst vijftien kleinere particuliere uitgeverijen in Oost-Europa en, recent, ook in Rusland opgekocht. Ze maken allemaal winst. Dit jaar wordt een omzet verwacht van honderd miljoen gulden. Het streven is een marktaandeel van minimaal dertig procent en een omzet van 200 à 300 miljoen gulden. Want, aldus resident director Willem van Zanten in Boedapest, 'small is beautiful but big is profitable'.

Van Zanten was afgelopen zondag een van de sprekers op een conferentie van het Fund for Central and East European book projects. Het fonds verleent vanuit Amsterdam financiële steun aan uitgevers van boeken en tijdschriften in Midden- en Oost-Europa. Sinds de oprichting in 1993 heeft het fonds, dankzij financiële bijdragen van onder meer de ministeries van buitenlandse zaken en onderwijs alsmede het Prins Bernhardfonds, de uitgave van 47 tijdschriften en 35 boeken gesubsidieerd. In totaal één miljoen gulden heeft het fonds daaraan gespendeerd, hetgeen neerkomt op nauwelijk meer dan 10.000 gulden per project. Een gulden is ten oosten van de Oder nu eenmaal meer waard dan ten westen. Een van de recentste subsidies is gaan zitten in de eerste Hongaarse vertaling van Karl Mannheim's Ideologie und Utopie. 'We investeren in de elite', aldus directeur Vera Ebels-Dolanová van het fonds.

Maar anders dan in 1989/91 werd verondersteld, laten Westerse waarden zich minder makkelijk exporteren dan auto's en computers. Volgens de Hongaarse onderzoekster Ágnes Gulyás heeft de boekenmarkt in het ineengestorte 'socialistische kamp' de afgelopen zeven jaar globaal drie fases doorgemaakt. In de eerste jaren was er sprake van een 'boom'. Naast de staatsuitgevers doken er particulieren op en dienden zich buitenlandse investeerders aan. Niet overal voltrok zich dat in dezelfde mate. In Polen hielden de staatsbedrijven hun meerderheid op de markt. In Tsjechië daarentegen wisten de nieuwe particuliere uitgevers meer dan vijftig procent van de nieuwe titels voor hun rekening te nemen. Maar bijna overal was het feest. Boeken waren voordien ten dele ondergronds geweest. Iedereen kocht dus alles. Dat was een vorm van uitgestelde aanschaf, zoals mensen na tijden van schaarste ook met ijskasten en wasmachines plegen te doen. Tussen 1991 en 1993 sloeg de 'crisis' echter toe. Het distributiesysteem stortte in en de koopkracht ook. De ijskast won het van het boek. Want waar had je in die jaren van 'economische hervorming' en dus gillende inflatie meer aan: aan zaaisel, pootgoed en gereedschap voor het buitenhuisje met moestuin of aan het verzamelde werk van Thomas Mann? Aan het eerste. Pas sinds 1994 begon de markt zich enigszins te normaliseren. De omzet daalde niet verder en langzamerhand begonnen zich nieuwe structuren te ontwikkelen. Maar daarmee is de weg terug nog niet ingeslagen, aldus Ágnes Gulyás. Aan geld blijft gebrek. De auteursrechten zijn nog altijd niet goed geregeld. En goede informatiekanalen, noodzakelijk voor het snel uitwisselen van orders en gegevens, zijn er evenmin. In de wittebroodsweken na decennia 'reëel bestaand socialisme' was dat laatste niet zo'n probleem. Toen kocht je je eerste Erich Fromm of Friedrich von Hayek nog op de markt naast de tomaten-stal. Maar nu wil de lezer meer weten voordat hij een boek koopt. In de woorden van Laurens van Krevelen, voorzitter van het dagelijks bestuur van het fonds: 'Samizdat (zelf-uitgeverij, HS) in een burgerlijke samenleving is geen perspectief'.

Ook Van Zanten signaleerde deze problemen. De wetgeving is overal instabiel en als er al wetten zijn, dan worden ze slecht gecontroleerd. Wolters-Kluwer betaalt naar eigen zeggen keurig alle sociale premies, maar weet niet of de concurrenten dat ook doen. Corruptie perverteert de zakelijke verhoudingen. Stap ja daar niet in, dan is gedonder met licenties, de fiscus en zelfs de PTT je loon. Belangrijker nog is dat de 'verdeling van de rijkdom' zo onevenwichtig is geworden dat de middenklasse zich meer en meer wentelt in een anti-Westerse houding, die het klimaat minder gastvrij maakt voor buitenlandse bedrijven. En, het voornaamste, de ontmanteling van de oude intellectuele infrastructuur, niet de minste erfenis van het socialisme, is nog steeds niet tot staan gebracht.

En toch is Van Zanten enthousiast. Niet alleen omdat hij zich er niet voor schaamt een grote 'speler' op het wereldtoneel te zijn. 'Alleen grote ondernemingen kunnen strategieën ontwikkelen. Accepteer dus de bij-effecten, namelijk dat geld macht maakt'. Maar ook omdat hij in zijn regio weer eens de informele 'wet van de stimulerende achterstand' heeft zien optreden. Maar liefst een kwart van zijn publicaties levert Wolters-Kluwer nu al digitaal aan. Professionele boeken doen het in de overgang van geleide naar vrije economie bovendien goed. Wat eerst gold voor het dilemma ijskast-versus-Mann geldt nu voor de keus wetboek-versus-Mann. Aan een juridisch naslagwerk, ook al kost de complete wetgeving op CD-rom ongeveer 4000 gulden, heb je wat in zaken. Aan de Buddenbrooks een stuk minder. En dat is nog maar het begin. Van Zanten gokt namelijk ook nog eens op de Europese Unie. Als Tsjechië, Polen en Hongarije straks toetreden tot de EU zal wet- en regelgeving niet meer aan te slepen zijn. Wolters-Kluwer weet daar wel raad mee.

De wat oudere intellectuelen uit Midden- en Oosteuropa wisten daar op het symposium veel minder raad mee. Ze toonden zich ambivalent. Zoals de Poolse historicus Jerzy Jedlicki: 'Tien jaar geleden stonden we in de rij voor vlees en Joyce. Nu maakt de Poolse literatuur nog maar 15,5 procent van de markt uit, de Duitse 5,3 procent, is de Franse literatuur geliquideerd en is 73,8 procent van de markt Angelsaksisch'. Hij doelde niet op James Joyce maar op Agatha Christie. De Tsjechische Eda Kriseová deed daar zelfs nog een schepje bovenop. 'De intelligentsia is arm aan het worden. De nieuwe rijken kopen geen boeken. De smaak tendeert naar vulgaire kitsch.'

In de samenvatting van professor Maarten Brands, bestuurslid van het fonds: 'De markt is niet altijd vriendelijk en genereus voor kwaliteits-publicaties'.

Het blijft tobben met de, door het vrije woord gewonnen, Koude Oorlog.