Beelddronken in de lagune; De 47ste Biennale van Venetië

In Venetië wordt overmorgen de Biennale geopend, de grote tweejaarlijkse internationale tentoonstelling van beeldende kunst. In achtentwintig 'landenpaviljoens' presenteren naties van over de hele wereld hun visie op de hedendaagse kunst. Daarnaast richtte de Biennale de tentoonstelling 'Future, Present, Past' in, met een blik op de trends in verleden, heden en toekomst.

Biennale di Venezia, Giardini di Castello. 15/6-9/11, dag. 10-18u. Prijs catalogus Lit. 70.000. Tel. 00-39-41-5218711. Internet: http://www.labiennale.it.

De parasols van Venetië zijn vaak gestreept, de dukdalven hebben lang geleden al strepen gekregen en nu vond de Franse kunstenaar Daniel Buren het hoog tijd om de ouverture van de Biennale van Venetië in de strepen te zetten. Dinsdag was hij in gestreepte trui, met zijn vrouw nog druk in de weer met zijn witte banen plastic. Woensdag, op de eerste kijkdag voor pers en genodigden, had elke plataan van de grote laan die in het lommerrijke park van de Giardini di Castello alle paviljoens en ook de bezoekers met elkaar verbindt, een rood-wit gestreepte verpakking om de stam gekregen. Bij de entree zijn de vierkante hoezen nog laag, maar allengs rekken ze zich uit, zodat ze aan het einde van de allee, dichtbij het het Italiaanse tentoonstellingsgebouw, de kruinen hebben bereikt.

De Franse kunstenares Orlan, die zich graag plastisch-chirurgisch laat deformeren, struinde woensdag met een gele kuif rond op het Biennale-terrein. Een verdwaalde jongen met een roodgeverfde borstkas bij wijze van t-shirtje gaf een onopvallende act als trainend voetballertje en op de bodem van de catacomben van het Australische paviljoen sleepte zich een danser voort die zich blijkbaar diende te gedragen als een onnozele hals die voor het eerst in zijn leven zoiets als een stuk linnen met verf zag.

Een feestelijk begin van de 47ste Biennale van Venetië, die snel en efficiënt op poten is gezet door de Italiaanse kunsthistoricus Germano Celant. Ondanks de korte voorbereidingstijd ligt er een vuistdikke catalogus in twee talen in de schappen en geen enkel land heeft zijn paviljoen leeg gelaten. Jammer genoeg mocht het Russische kunstenaarsduo Komar & Melamid uiteindelijk niet, zoals de bedoeling was, het Russische paviljoen vullen. De Russische regering keerde zich tegen hun deelname omdat het in New York wonende duo ook een Amerikaanse subsidie zou krijgen. De Russische regering heeft nu gekozen voor een paviljoen met schilderijen vol pathetische ellende van Maxim Kantor.

Het is ook spijtig dat de Japanse Rei Naito maar vijf personen per uur op haar tentoonstelling wil toelaten. Enkele Amerikaanse kunstcritici, die met velen anderen buiten moesten bijven, dreigden direct luidkeels met een totale, publicitaire boycot.

De traditionele tentoonstelling 'Aperto', die doorgaans in het poëtisch ruige Arsenaal van Venetië de jonge garde toont gaat dit keer niet door. Daarom heeft Celant de deelnemende landen gevraagd in de paviljoens toch vooral de jonge generatie aan bod te laten komen. De Amerikanen zonden dus de 71-jarige schilder Robert Colescott uit Tucson, Arizona. Hij is de eerste zwarte die namens Amerika het paviljoen mag vullen. In een grillige, fragmentarische stijl, waar mensen en dingen en achtergronden organisch verweven zijn, levert hij met vlotte kwast commentaar op de relaties in heden en verleden, tussen zwarten en blanken: het domme blondje dat op erotisch gebied haar zwarte zusters letterlijk overschaduwt, de witte christenen en hun zendingsdrang onder de andersgelovigen. De ernstige Colescott moraliseert graag. Hoewel zijn kleurencarrousels menig drama transformeren in een wervelende droom, nemen zijn argeloze beeldverhalen je voor hem in, al lijken de Amerikanen met hem toch eerder een politiek-correcte dan een artistieke keuze te hebben gemaakt.

Volgens Catherine David, de directrice van de Documenta in Kassel, de concurrerende grote beeldende-kunsttentoonstelling van de Biennale, is de schilderkunst op sterven na dood, of tenminste reactionair. Haar boodschap blijkt behalve in Amerika ook nog niet te zijn doorgedrongen in Israel, Rusland, Zwitserland, Hongarije, Australië, Korea en Joegoslavië. De Israelische Miriam Cabessa gebruikt op macabere doeken haar zwarte verf als uitwaaierende oost-indische inkt. De 36-jarige Koreaan Ik-Joong Kang produceert al vijftien jaar lang op paneeltjes van tien bij tien centimeter een niemendalletje, zoals een kam, boeddha-beeldje of letter, uit zijn dagelijks bestaan, zodat je beeld-dronken zijn barstensvolle zaal verlaat. En de monolithische, 'asfalt'-schilderijen van de Zwitser Helmut Federle staan haaks op de monomane streepjesdoeken van de vorig jaar overleden Emily Kame Kngwarreye, een aboriginal-kunstenares aan wie het Australische paviljoen een hommage brengt. Zij wilde met haar sobere, aardbruine en zwarte patronen de herinneringen levend houden aan ceremoniële lichaamsversieringen van weleer.

Ivan Kafka kan zijn Tsjechië nog zo'n gaaf beeld bezorgen van honderden houten pijlen, die als vijandige legers horizontaal tegenover elkaar in de lucht hangen, de meeste aandacht gaat toch altijd uit naar wat de grotere Europese landen in hun paviljoens presenteren.

Oostenrijk maakt zich er op extreme wijze van af door de twee zalen volledig vol te storten met het gratis mee te nemen naslagwerk over Die Wiener Gruppe, een anti-alles kunstenaarsgezelschap dat tussen 1954 en 1960 actief was. Frankrijk zond de 35-jarige Fabrice Hybert, die er zowel in zijn video-installatie als in zijn onleesbare, modieuze drukwerk een ratjetoe van maakt. De cirkel van monitoren, opgesteld tussen nietszeggende hebbedingen geven onder door hoe wat travestieten aan het dollen zijn met opgetutte mannequins. De Britse beeldhouwster Rachel Whiteread, die afgietsels van afgietsels maakt, is wars van dollen. In haar bijna sacrale oase staat een gipsen matras tegen de wand. Die herinnert, zegt ze, aan het vaak niet al te florissante Londense straatbeeld; we komen een badkuip tegen in oogstrelend mooie, okeren wassubstantie en ook nog de afdruk van een complete bibliotheek, waarvan de boeken slechts hun omtrekken in het gips hebben achtergelaten. Haar materiaalkeuze belooft bij voorbaat al een flinke dosis esthetiek en om die reden zal dat inhoudelijk krachtige beeld van die akelig lege bibliotheek met zijn precieze paginasporen langer beklijven dan de twee klaverhoning-gekleurde sokkels van rubber.

Tegen alle verwachting in biedt de Biennale relatief weinig videokunst en installaties. Ook de fotografie laat zich nauwelijks gelden. Polen koos voor een wandvullende, symmetrische collage van de 49-jarige Zofia Kulik die de gruwelijke foto-sequentie van een executie verstopt tussen verleidelijk mooie choreografische opnamen. Maar wie op fotografisch gebied misschien wel voor tien telt, is de Duitse Katharina Sieverding, 'de sfinx van de eigentijdse Duitse beeldende kunst', die destijds van 'Fettprofessor' Beuys het advies kreeg snel met fotografie te stoppen, want die kon je als 'herinneringsmedium' beslist niet voor het actuele kunstbedrijf gebruiken.

Sieverding ging door en maakt nu reusachtige 'Steigbilder', gebaseerd op documentaire opnamen van bijvoorbeeld BSE-koeien, Palestijnen, schedels of soldaten. Wat de foto's weergeven is, eenmaal opgeblazen, gerasterd en volledig gecomputeriseerd, weliswaar nauwelijks meer te herkennen, maar ze dragen een dreigende turbulentie in zich, in een nieuwe, versplinterde gedaante. “Ik stel vragen over de menselijke identiteit”, vertelt ze, “daarom vermeng ik het beeld van die dode koeien met de DNA-gegevens van een mens, daarom hangt daar de foto van een menselijk keelgat, een individuele stem, en daarom ziet u hier die enorme schedel. Bestaat er eigenlijk nog wel zoiets als identiteit en individu?” Een vraag die nagalmt tussen de metershoge, holle entreewanden van het Duitse paviljoen, waarmee Sieverdings mede-exposant Gerhard Merz zich als architect wil laten kennen.

Behalve het begrip identiteit manifesteert zich ook het milieu al jaren als een belangwekkend thema. Met name het Scandinavische paviljoen is net als bij de vorige Biennale eco-gericht. De Noor Henrik Hakansson installeerde zich in een biologisch paradijsje, vol planten en wilde bloemen, en daartussen mogen allerlei rupsensoorten zich tot dag- en nachtvlinders ontwikkelen. Zijn collega Mark Dion zoekt in drabbige gronden naar menselijke sporen. Het onvergankelijke afval, scherven, flesjes en gereedschap, rangschikt hij keurig in bakken en op planken. En de Georgier Gia Edzgveradze omlijstte in een dependance van het Russische paviljoen een rijst-tapijt met honderden winterwortels, die er, ondanks de transcendente duiding van de kunstenaar, over een maand beroerd aan toe zullen zijn.

Vergeleken met bijna alle andere paviljoens weten Aernout Mik en Willem Oorebeek namens Nederland vooral verwarring te zaaien. De fotografische figuren en fragmenten van Oorebeeks gerasterde witte muren bij de entree komen, in diep anthraciet, opnieuw tevoorschijn op de nog zwartere, pontificale achterwand. Om daar te arriveren moet de bezoeker zich langs het vierkante domein van Mik wringen. Behalve een provisorisch bed en wat flinke, beige zitbanken zijn daar twee video's te zien van een traag op en neer deinende man, wiens hemdsmouw vacuum wordt gezogen, en van twee net zo opverende, zittende meisjes uit wier borstbeen inkt spuit. Een flinke tuinslang houdt niet op hen met modder te overspoelen. Voeg daarbij een pseudo-dwerg die zachtjes verend aan de rechter kant in beeld verschijnt, en je gaat naarstig op zoek naar wat dan ook. Naar een drama in de relatiesfeer, naar een feministische ondertoon, of naar het technisch vernuft dat alsmaar die inkt bij de dames blijft spuien.

Zoals beide kunstenaars vorige week in een vraaggesprek in deze krant vertelden, moet hun werk vooral de traagheid aan de orde stellen van enerzijds het kijken naar het grafisch beeld, en anderzijds het als toeschouwer lichamelijk gewaarworden van visuele ervaringen. Je vraagt je af wat de buitenlandse bezoeker straks zonder die achtergrond-informatie moet herkennen in Miks video van drie stoeiende, bejaarde heren. En wat valt er op die rasterwand aan verbanden te leggen tussen een fotofragment van een schouder, een paar ogen, en een mensenbeen, dat ooit in een haaienbuik is teruggevonden?

Geef mij maar het homogene, overzichtelijke en minder intellectualistische paviljoen van de Belgische buren. Daar plaatste Thierry de Cordier achtonheilspellende beelden, hermetische, zwarte 'vuisten' waar je niet omheen kunt. Hij laat ze soms jarenlang blootstaan aan weer en wind en voegt aan het veelal onzichtbare hout, lood, textiel en gras toe, zelfs mottenballen, rode wijn en excrementen, en laat dat allemaal verrotten. Zo kan er een 'Landschappeling' ontstaan, een buste die letterlijk en figuurlijk uit de aarde lijkt voortgesproten. Net als het werk van Mik en Oorebeek verbergen ook deze gitzwarte stompen zo hun geheimen. Maar Thierry de Cordier creëert ze niet, ze komen uit hemzelf voort.