Apostel van de vrijheid; Thomas Jefferson (1743-1826)

Conor Cruise O'Brien: The Long Affair. Thomas Jefferson and the French Revolution, 1785-1800. University of Chicago Press 1996. 367 blz. ƒ 79,-

Joseph Ellis: American Sphinx. The Character of Thomas Jefferson, Knopf, 365 blz. ƒ 61,50

Bij zijn arrestatie in april 1995 droeg Timothy Mc Veigh, de Oklahoma-bomber, een T-shirt met de leuze: 'De boom der vrijheid moet periodiek worden gevoed met het bloed van patriotten en tirannen'. Het is een citaat uit een brief van Thomas Jefferson, schrijver van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en derde president, waarin hij een lokaal oproer van boeren in het westen van de staat Massachusetts verdedigt. Hun bloed, schrijft hij in de erop volgende zin, 'is een natuurlijke vorm van bemesting'.

Conor Cruise O'Brien is niet verbaasd. Volgens deze Ierse man of letters was Jefferson een extremist, weliswaar meer achter de schrijftafel dan in de praktijk, maar niet minder gevaarlijk. Hij was bezeten van wat de conservatief Edmund Burke 'het wilde gas van de vrijheid' noemde, en bereid dat vrijheidsideaal zonodig aan anderen op te dringen. Jefferson, beweert hij, zou indien hij in deze eeuw had geleefd het goed hebben kunnen vinden met de Cambodjaanse dictator Pol Pot. Die probeerde immers in praktijk te brengen wat Jefferson in theorie beleed: een egalitaire, agrarische samenleving. De Cambodjaanse 'mesthoop' is misschien wat groot uitgevallen - op de killing fields liggen de schedels en botten van anderhalf miljoen mensen - maar ook daarvoor is in de uitgebreie correspondentie van Jefferson wel een onderbouwend citaat te vinden. Zo is er een brief uit 1793 waarin hij schrijft desnoods de helft van de wereldbevolking te willen offeren aan de vrijheid. 'Al waren er in ieder land alleen een Adam en Eva over', verdedigde hij daarin de excessen van de Franse Revolutie, 'dan was mij dat liever dan de huidige situatie'.

Zeker zo schadelijk in dit multi-culturele en politiek correcte tijdperk is volgens O'Brien dat Jefferson tevens een 'wrede en agressieve racist' was. Niet alleen hield hij als planter uit Virginia tweehonderd slaven die hij veel minder humaan behandelde dan over het algemeen door Amerikaanse historici wordt beweerd, hij kon zich bovendien niet voorstellen dat blank en zwart ooit vreedzaam en op voet van gelijkwaardigheid met elkaar zouden omgaan. Vrije zwarten moesten volgens hem daarom op transport worden gezet naar een Caraïbisch eiland of terug naar Afrika worden gebracht. Gebeurde dat niet, dan verwachtte Jefferson een strijd van leven op dood tussen de twee rassen, waarbij het hem niet zou verbazen indien de zwarten, weliswaar in de minderheid maar na jarenlange mishandeling op wraak belust, het zouden winnen. Zou dat niet een mooie taak zijn voor doctoraalstudenten, vraagt O'Brien zich af: onderzoek naar het verband tussen Jeffersons racistische ideeën en die van Hendrik Verwoerd, oud-president van Zuid-Afrika en een fel verdediger van de apartheidsstaat.

In zijn conclusie gaat O'Brien nog een stapje verder. De democratie als staatsvorm kan in Amerika (en daarom wereldwijd) volgens hem enkel overleven indien Jefferson zo snel mogelijk uit het pantheon van Amerikaanse aartsvaderen wordt verwijderd. Weg met het aan hem gewijde monument in Washington en het uitgehouwen hoofd in Mount Rushmore! Een geluk is het volgens O'Brien wel, dat de bevolking dit langzamerhand ook lijkt in te zien. Halverwege de volgende eeuw, vermoedt hij, is het wel gedaan met de Jefferson-verering.

In The Long Affair wordt drievoudige karaktermoord op Jefferson gepleegd. In de eerste plaats door hem af te zetten tegen Edmund Burke, O'Briens held, aan wie hij in 1992 een biografie wijdde. Burke, grondlegger van het moderne conservatisme die niets van de Franse Revolutie moest hebben, kijkt voortdurend over de rug van Jefferson mee. Verkeerde inschattingen van de laatste over het verloop van de Franse Revolutie worden afgezet tegen de visionaire inzichten van de eerste. Burke blijkt de gebeurtenissen in Parijs in het laatste decennium van de achttiende eeuw van a tot z juist te hebben ingeschat.

Vervolgens maakt hij zich schuldig aan presentism door Jefferson naar het heden te halen en zijn naam te verbinden met die van een terrorist, een dictator en een racist. Van het drietal McVeigh, Pol Pot en Verwoerd tooide alleen de eerste zich weliswaar met een citaat van Jefferson, maar dat doet er verder niet toe. Het gaat om verwantschap in ideeën en opvattingen, en in dat opzicht is Jefferson er volgens O'Brien gloeiend bij. Ten slotte gaat hij nog een stapje verder door een rooskleurige toekomst te laten afhangen van de mate waarin de Amerikaanse bevolking erin zal slagen met diens radicale en racistische erfenis af te rekenen.

The Long Affair is daarmee een merkwaardig boek geworden. O'Brien grasduint in Jeffersons verzamelde werk met het doel hem ruim honderdzeventig jaar na zijn dood alsnog te ontmaskeren en te veroordelen. Hij is niet uit op een zorgvuldig oordeel, hij valt aan, beschuldigt, kiest partij, wast voortdurend varkentjes. Jefferson is niet het enige doelwit van zijn woede; ook Amerikaanse historici moeten het ontgelden. In hun verlangen de waarheid over hem te verdoezelen, de angel uit zijn meest extreme opmerkingen te halen, zouden ze er de voorkeur aan geven hem te parafraseren in plaats van te citeren. O'Brien zet dat recht door hele alinea's uit Jeffersons correspondentie aan te halen, maar omdat hij selectief citeert en vervolgens eenzijdig interpreteert bereikt hij het tegengestelde van waar hij op uit was. Zijn Jefferson is een karikatuur en als zodanig ongeloofwaardig.

De Amerikaanse historicus Joseph Ellis pretendeert met zijn biografie American Sphinx Jefferson te beschrijven 'zoals hij werkelijk was'. Het resultaat is een glashelder en meeslepend portret van een boeiende, complexe en in al zijn tegenstrijdigheden in sommige opzichten moderne man. Jefferson is, schrijft Ellis ironisch, een dead white male die er nog steeds toe doet. Het boek is geen hagiografie. Ellis verdoezelt niet dat Jefferson als planter en ondernemer - hij dreef een spijkerfabriek - zijn slaven misbruikte. Hij speculeerde als beginnend politicus weliswaar op de vrijlating van alle slaven - die overigens onmiddellijk gepaard zou moeten gaan met deportatie - maar hij besefte al snel dat hij zich dat persoonlijk niet kon veroorloven. Hij was, schrijft Ellis, gedurende 'zijn leven allesbehalve een legende, maar een controversiële man die groot inzicht koppelde aan grote oppervlakkigheid, een hoge mate van eruditie aan buitengewone naïviteit en diep inzicht in het gedrag van anderen aan een buitengewoon vermogen zichzelf voor de gek te houden'. Succesvol was hij eigenlijk maar in één opzicht: als schrijver. Hij bracht dagelijks uren door achter zijn speciaal vervaardigde draagbare bureau, de eerste laptop, dat hij overal mee naartoe sleepte.

In weerwil van wat O'Brien beweert is de reputatie van Jefferson onder Amerikaanse historici volgens Ellis sinds het begin van de jaren zestig in een vrije val geraakt, vanaf het moment in feite dat de gelijkberechtiging van blank en zwart op de nationale agenda kwam te staan. Van ultieme held is hij sindsdien verworden tot ultieme schurk. Bij het grote publiek daarentegen heeft hij aan populariteit niet ingeboet. Voor de meesten blijft hij de apostel van de vrijheid, de schrijver van de Onafhankelijkheidsverklaring. 'Er is niets in de menselijke tekortkomingen van de historische Jefferson dat de icoon in gevaar brengt.' In die zin zit O'Brien er natuurlijk goed naast: in het onvervreemdbare recht vrijheid en geluk na te streven, in onze eis door de staat met rust te worden gelaten, zijn we allemaal nazaten van Jefferson. Ook de Afrikaans-Amerikanen, aan wie hij dat recht ontzegde, en vrouwen, die hij vooral beschouwde als vervolmakers van (zijn eigen) huiselijk geluk, beroepen zich inmiddels met succes op zijn boodschap van life, liberty and the pursuit of happiness.