Amerikanen zien ze vliegen

Elaine Showalter: Hystories. Hysterical epidemics and modern media. Columbia University Press, 244 blz. ƒ 58,65

Amerika is in de greep van vreemde verschijnselen. Talloze inwoners van het land gaan gebukt onder onverklaarbare ziekten die hun verhinderen een normaal leven te leiden, ouders worden op ongekende schaal door hun kinderen van incest beschuldigd, anderen beweren dat zij door handlangers van Satan tot de meest afschuwelijke daden zijn gedwongen of dat zij door grijze wezentjes zijn meegevoerd en in ruimteschepen grondig seksueel zijn onderzocht, waarna kleine zendertjes in hun neus geïmplanteerd zijn. Al deze verschijnselen hebben vanaf de jaren tachtig een enorme vlucht genomen. Lotgenoten verzamelden zich in praatgroepen, medici verrichtten onderzoek, therapeuten specialiseerden zich in de nieuwe problemen, wetenschappers schreven er boeken en artikelen over, de politie verrichtte tal van naspeuringen, menig tv-presentator besteedde er zendtijd aan en op het internet vindt tussen de diverse betrokkenen nog dagelijks een massale uitwisseling plaats van nieuwtjes en ervaringen. Geen van de kwesties is tot dusver echter bevredigend de wereld uit geholpen.

Hier is duidelijk wat aan de hand. Maar wat precies? En hebben die verschillende zaken überhaupt wat met elkaar te maken? Die laatste vraag wordt door de Amerikaanse hoogleraar in de Engelse literatuur Elaine Showalter bevestigend beantwoord. In haar onlangs verschenen Hystories: Hysterical epidemics and modern media doet zij een lovenswaardige poging deze uiteenlopende tijdverschijnselen in onderling verband te plaatsen en hun dramatische opkomst te begrijpen. De titel geeft al aan in welke richting zij het gemeenschappelijke zoekt: in alle gevallen gaat het om moderne varianten van een oud ziektebeeld; de hysterie. Anders dan de titel doet vermoeden gaat Showalter overigens niet expliciet in op de rol die de nieuwe media spelen in het ontstaan van hedendaagse hysterische epidemieën. Of de uitgever heeft hen zonder inhoudelijke reden op het laatste moment nog in de titel gefrommeld of Showalter zelf heeft zich gerealiseerd dat ze op dit gebied weinig te melden had. Anders dan op de kaft luidt de ondertitel op de titelpagina namelijk Hysterical epidemics and modern culture, een vlag die de lading beter dekt.

Machtelozen

De hysterie kent een lange geschiedenis. Haar hoogtijdagen liggen alweer geruime tijd achter ons en worden door Showalter nogmaals uit de doeken gedaan in een wandeling langs de gebaande wegen van de hysterie-geschiedenis; van Parijs (Charcot) naar Wenen (Freud en Breuer) en weer terug (Lacan). Van de eind-negentiende-eeuwse hysterica, met haar karakteristieke verlammingen, haar sprakeloosheid, haar kuchjes en tics, is inmiddels weinig meer over. En met haar is de hysterie in de tweede helft van deze eeuw als psychiatrische categorie verdwenen. Maar waar de hysterie medisch gezien dood werd verklaard, werd ze elders in de wetenschap weer wakker gekust. Binnen culturele studies, literatuurtheorie en vrouwenstudies werd het thema met nieuw elan opgenomen. Het is niet in de laatste plaats Showalter zelf geweest die deze hernieuwde belangstelling heeft vormgegeven. Haar in 1985 verschenen The female malady: women, madness and Englisch culture, 1830-1980 was een invloedrijk boek, waarin hysterie begrepen werd als symbolische taal van de machtelozen, in het bijzonder als een vorm van vrouwelijk protest tegen de dominante patriarchale cultuur.

De klassieke hysterie mag dan verdwenen zijn, het onderliggend mechanisme waarin emotionele conflicten via lichamelijke klachten een uitweg zoeken, is dat allerminst. Het is zelfs populairder dan ooit, als we Showalter mogen geloven. Wil het epidemische vormen aannemen, dan moet aan drie voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste is de bemoeienis van deskundigen vereist, zij voorzien de opkomende beweging van theoretische legitimatie en institutionele verankering. Vervolgens is de aanwezigheid van een groep vrij zwevende getroubleerde geesten, de toekomstige patiënten, noodzakelijk en tenslotte dient het culturele klimaat waarin een en ander zich afspeelt gunstig te zijn. Aan alle drie voorwaarden wordt in het hedendaagse Amerika ruim voldaan. Deskundigen van velerlei slag zwermen rond deze bewegingen als bijen rond de honing, mensen die psychisch lijden zijn moeiteloos te vinden, en de culturele ondergrond is optimaal nu het jaar 2000 nadert en de hysterische kwalen, de ingebeelde ziektes en de pseudoherinneringen nog eens extra gevoed worden door de apocalyptische angsten die in elk fin de siècle oplaaien. De zo ontstane vormen van hysterie zijn uitgesproken besmettelijk, ze worden overgedragen door praatjes, geruchten, boeken, tijdschriften en massamedia. De hysterische verhalen die door al deze communicatiekanalen geproduceerd en verspreid worden, duidt Showalter aan als hystories.

Aan de hand van deze hystories beschrijft Showalter zes moderne epidemieën. In volgorde van oplopende bizarrerie: het chronisch vermoeidheidssyndroom, ook bekend als de ziekte ME (myalgische encephalomyelitis), het Golfoorlogsyndroom, hervonden herinneringen, het meervoudig persoonlijkheidssyndroom, satanisch ritueel misbruik en ontvoeringen door buitenaardse wezens. Wat de lijders aan deze ziekten c.q. de slachtoffers van deze praktijken gemeen hebben is dat zij de oorzaak van hun lijden buiten zichzelf leggen, bij een virus en een onwillige artsenstand; bij gifgas en een konkelende regering; bij vaders, familieleden en andere plegers van seksueel geweld; bij satanische samenzweringen; en bij de infiltratie van buitenaardse wezens. Dat nu, beweert Showalter, is ten onrechte en dat is waarom zij hun klachten hysterisch noemt. Zij haast zich natuurlijk te verklaren dat deze klachten reëel en ernstig zijn, maar anders dan degenen die eraan lijden, is zij ervan overtuigd dat hun oorsprong intra-psychisch is.

Reacties

Showalter weet natuurlijk heel goed dat het predikaat hysterisch buitengewoon beladen is. In haar eerdere werk heeft ze zelf met regelmaat benadrukt hoe dit etiket in het verleden gebruikt is om persoonlijke en maatschappelijke onvrede, met name die van vrouwen, onschadelijk te maken. Doet zij nu niet hetzelfde met hedendaagse maatschappelijke misstanden? Nee, zegt ze zelf, want al die naarstig gezochte virussen, die gruwelkabinetten en die complottheorieën zijn externalisaties die de aandacht afleiden van onderliggende psychische conflicten. Het is een van de misstanden in onze cultuur dat lijden waarvoor een organische basis bestaat of dat voortkomt uit reële traumatische ervaringen meer aanzien geniet dan psychogene klachten. We moeten accepteren dat veel van onze kwalen legitieme symptomen zijn van angsten, psychische problemen en stress. Ja, zeggen daarentegen veel van de pas benoemde hysterici, bij wie de verschijning van Showalters boek tot woedende reacties heeft geleid, zoals te voorzien was. Tot op heden hebben vooral de Amerikaanse ME-patiënten zich laten gelden. Zij voelen zich gedwongen zich tegen de zoveelste psychologisering van hun ziekte teweer te stellen en vinden het onverteerbaar om op één noemer te worden geschaard met groepen die beweren ontvoerd te zijn geweest door buitenaardse wezens. Zij slaagden er al in om een promotie-tour van Showalter danig te verstoren.

De ongelijksoortigheid van de verschijnselen die door Showalter allemaal onder de vlag van de hysterie behandeld worden, is inderdaad problematisch. Individuele pathologie en massa-hysterie, ziektebeeld en waandenkbeeld worden door Showalter moeiteloos over één kam geschoren en met al even veel gemak schuift zij met het begrip hysterie heen en weer tussen psychiatrische diagnose, feministische lichaamstaal en literaire representatie. Deze benadering heeft de voordelen van het brede gebaar: ze is effectief en verliest zich niet in theoretische en conceptuele haarkloverij. Maar wat mij betreft overheersen toch de nadelen, aangezien de breedheid van verschijnselen en de veelheid van invalshoeken Showalter verhinderen om de nodige diepgang te ontwikkelen.

In Hystories wordt van alles even aangestipt, maar vrijwel niets fatsoenlijk uitgewerkt. Welke sociale bewegingen gaven deze epidemieën hun enorme zeggingskracht? Welke coalities gaan erachter schuil? Welke angsten beheersen ons aan het einde van deze eeuw en waaruit blijken die, behalve uit de te verklaren verschijnselen zelf? Het frustrerende van Showalters boek is dat het op geen van deze vragen een bevredigend antwoord geeft. Met haar stelling dat we te maken hebben met hysterische epidemieën biedt ze weliswaar een interpretatie van een aantal tijdverschijnselen, maar nog geen verklarend kader. Men mag de moeheid van ME-patiënten, het eczeem van ex-soldaten, de meervoudigheid van getraumatiseerde persoonlijkheden en de bloedneuzen van ontvoerden psychosomatisch noemen, maar daarmee is de spectaculaire verbreiding van deze en andere klachten nog geenszins begrijpelijk gemaakt. Want de simpele verwijzing naar het naderende einde van het millennium kan moeilijk voor een volwaardige verklaring doorgaan.

Er is nog een tweede reden die maakt dat de analyse van Showalter aan de oppervlakte blijft. Zij is zwaar gehandicapt door een aantal onuitgesproken, maar duidelijk merkbare loyaliteiten. Verspreid door het boek heen, noemt Showalter een aantal ontwikkelingen die het ontstaan van de hedendaagse psychologische plagen hebben bevorderd. Zo heeft het feminisme in haar ogen tot een verheerlijking van het vrouwelijk slachtofferschap geleid, zijn er gretige therapeuten geweest die hun ongelukkige patiënten met meer of minder subtiliteit in de door hen gewenste richting hebben gemanoeuvreerd en zijn er boeken verschenen, als Sybil, Rosemary's Baby en tal van horror- en science fiction verhalen, waar een grote zuigkracht van uit is gegaan en die als blauwdruk hebben gediend voor de latere hysterische bewegingen. Op enkele andere plaatsen, maar evenmin systematisch, laat Showalter zich uit over de wijze waarop in de toekomst het ontstaan van dit soort collectieve gekte voorkomen kan worden. Zij schrijft dat het feminisme vrouwen kan bevrijden van de infantiele behoefte slachtoffer te zijn, dat de psychoanalyse ons kan leren om het mechanisme van de hysterie te doorzien en om psychische pijn niet langer minderwaardig te achten aan lichamelijk leed, en dat we ons met de hysterische narratieven zoals ze in de literatuur te vinden zijn, kunnen wapenen tegen hedendaagse en toekomstige uitbarstingen van hysterie.

Complexiteit

Zoiets wekt bevreemding. Wie oorzaak en remedie zo in dezelfde handen legt, heeft wel wat uit te leggen en dat doet Showalter niet. Er bestaan in haar ogen klaarblijkelijk ziek en heilzaam feminisme, goede en slechte psychotherapie, gevaarlijke en leerzame hysterische narratieven. Waar precies slaat het één om in het ander? Om die vraag te beantwoorden is een grondiger en risicovoller analyse nodig dan Showalter heeft aangedurfd. Geen van de drie verschijnselen wordt door haar echt rigoureus op de ontleedtafel gelegd, verknocht als ze is aan zowel het feministische als het psychoanalytische gedachtengoed en overtuigd als ze is van de waarde van de literaire kritiek. Door dit na te laten, weet ze haar gunstelingen ongeschonden het boek door te loodsen, maar ontbreekt er wat in een boek als het hare eigenlijk niet ontbreken mag.

Het instrumentarium van Showalters literaire theorie, veel cultuurkritiek en wat medische geschiedenis is al met al niet opgewassen tegen de complexiteit van haar onderwerp. Showalter grossiert in zinnen van een ergerniswekkende inhoudsloosheid. 'Language plays a role as well', schrijft ze ergens. Of: 'There is still much cultural work to be done, especially for women, in relieving sexual guilt'. Het zal wel, maar wie ze verder niet of nauwelijks uitdiept, kan zulke algemeenheden beter achterwege laten.