UNDP: armoedebestrijding op kortere termijn haalbaar

ROTTERDAM, 12 JUNI. De meest extreme armoede kan binnen enkele decennia uit de wereld verdwenen zijn. Universele sociale basisvoorzieningen en een effectieve verlichting van de armoede zouden niet meer dan tachtig miljard dollar per jaar kosten. Dat stelt de Ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties (UNDP) in het vandaag verschenen Human Development Report 1997. Geen naïeve opmerking, vindt de UNDP, maar een haalbare én betaalbare doelstelling.

Het Human Development Report 1997 (HDR) spitst zich dit jaar toe op een evaluatie van de armoede in de wereld. Die is de laatste vijftig jaar sneller gedaald dan in vijfhonderd jaar daarvoor. De ontwikkelingsorganisatie merkt op dat de armoedebestrijding in de wereld de afgelopen decennia belangrijke successen heeft behaald. Er is een toegenomen levensverwachting bij driekwart van de bevolking, het analfabetisme en de zuigelingsterfte zijn teruggedrongen.

De vooruitgang die de ontwikkelingslanden de laatste dertig jaar hebben geboekt is gelijk aan die van de geïndustrialiseerde landen in honderd jaar. China bijvoorbeeld, heeft in minder dan twintig jaar het aantal mensen dat onder de armoedgrens valt, gehalveerd.

Het rapport combineert zijn optimistische visie met een pessimistische noot. De strijd tegen de armoede kent de laatste jaren een terugval. De tegenstellingen tussen arm en rijk zijn verder toegenomen. Bijna een derde van de mensen in ontwikkelingslanden - ongeveer 1,3 miljard - moet rondkomen met minder dan één dollar per dag. In 1987 waren dat er 100 miljoen minder. Meer dan 800 miljoen mensen krijgen niet genoeg te eten. Bovendien is de vooruitgang ongelijk verdeeld in de wereld.

Net als in voorgaande rapporten maakt de UNDP dit jaar gebruik van de Human Development Index (HDI), een ranglijst van landen gebaseerd op een samengestelde index van levensverwachting, onderwijsmogelijkheden en levensstandaard. De top drie bestaat uit Canada, Frankrijk en Noorwegen.

In dertig landen is de score op de HDI lager dan vorig jaar. Dat is de sterkste terugval sinds de HDI in 1990 werd ingevoerd. Factoren die hiertoe bijdragen zijn, volgens de UNDP, onder meer gewelddadige conflicten, de toename van HIV/aids - van de 23 miljoen mensen die erdoor getroffen zijn, bevindt zich 90 procent in ontwikkelingslanden - en de aanwezigheid van economieën die zich in een overgangsfase bevinden, zoals in Oost-Europa.

Volgens James Gustave Speth, administrateur van het UNDP, is de belangrijkste boodschap van het HDR 1997 “dat armoede niet langer onvermijdelijk is”. Hij zegt dat vandaag de materiële en natuurlijke middelen, de kennis en de mensen aanwezig zijn om binnen één generatie een wereld zonder armoede te realiseren. De mogelijkheid bestaat, zegt het rapport, maar de middelen worden meestal niet of verkeerd aangewend.

Armoede is veel meer dan enkel een laag inkomen, schrijft de UNDP. Het betreft ook slechte gezondheid en onderwijs, de ontoegankelijkheid van kennis en communicatie, de onmogelijkheid om menselijke en politieke rechten uit te voeren en de afwezigheid van waardigheid, vertrouwen en zelfrespect.

De UNDP wil een daadkrachtig beleid. Het moet gericht zijn op de versnelling van de economische groei van de honderd landen waar die groei stagneert of achteruit gaat, op een aanpak die 'pro-poor' (vóór de armen) is en gericht op de vermindering van armoede. Het beleid moet verder tegenwicht bieden aan dreigende tegenslagen zoals aids, oorlogen en leefmilieu.

Een minimale doelstelling zou drie procent economische groei per hoofd van de bevolking moeten zijn.

Er moet volledige werkgelegenheid komen, de groei in arme landen moet worden versneld, onderwijs en gezondheidszorg moeten voor iedereen bereikbaar zijn. Verder wil de UNDP dat de globalisering goed begeleid wordt en op een evenwichtiger manier verdeeld, waarbij meer rechtvaardige regels en voorwaarden voor arme landen geschapen worden. Er moet verder een specifiek politiek klimaat komen waarin arme mensen en arme gemeenschappen worden gehoord in plaats van onderdrukt.

De extra kosten die vereist zijn voor het bereiken van sociale basisvoorzieningen voor alle mensen in ontwikkelingslanden worden voor de komende tien jaar geschat op veertig miljard dollar per jaar. Dat is niet eens 0,2 procent van het jaarlijkse wereldinkomen, benadrukt het rapport.

Het dichten van de kloof tussen het jaarinkomen van arme mensen en het minimum waarmee ze de armoedegrens zouden overstijgen, wordt geschat op nog eens veertig miljard dollar per jaar.

Dat is minder dan het nettobezit van de zeven rijkste mannen ter wereld.

Een doeltreffende ondersteuning voor de twintig meest getroffen landen zou 5,5 miljard dollar kosten - of net zoveel als de bouw van Euro-Disney.

Richard Jolly, hoofdcoördinator van het HDR, erkent dat de ontwikkelingslanden hiertoe zelf het meeste geld zullen moeten opbrengen, maar hij vindt ook dat de armste landen daarbij moeten worden geholpen.