UNDP: armoede op andere wijze gemeten

ROTTERDAM, 12 JUNI. Dit jaar introduceert het Human Development Report (HDR) van de Ontwikkelingsorganisatie van de VN (UNDP) een Human Poverty Index (HPI), die de 'menselijke' armoede per land meet aan de hand van drie elementen: de sterftekans op jonge leeftijd (voor het veertigste levensjaar), analfabetisme bij volwassenen, en een matige tot gebrekkige levensstandaard.

Deze laatste wordt berekend volgens de beschikbaarheid van zuiver drinkwater, het hebben van voldoende voedsel en de mate waarin mensen toegang hebben tot gezondheidsvoorzieningen.

De (conventionele) armoedeverdeling volgens inkomensongelijkheid hoort hier niet bij. Vrij logisch, vindt Richard Jolly, hoofdcoördinator van het HDR: “Als je aan iemand vraagt waarom hij arm is, zal hij niet over zijn inkomen van een dollar per dag praten. Hij heeft het over zijn kinderen die niet naar school kunnen of over zijn gezin dat niet genoeg te eten heeft.”

Het hoogst genoteerd zijn Trinidad en Tobago, Cuba, Chili, Singapore en Costa Rica. Deze landen hebben de menselijke armoede kunnen beperken tot tien procent van de bevolking. Onderaan bevinden zich de zeven landen waar meer dan vijftig procent van de inwoners aan dit soort armoede lijdt: Nigeria, Sierra Leone, Burkina Faso, Ethiopië, Mali, Cambodja en Mozambique. Bij de helft van de landen in de HPI heeft ongeveer een derde van de bevolking met menselijke armoede te maken.

Inkomensarmoede treft ongeveer 1,3 miljoen mensen of ongeveer een derde van de bevolking. Sub-Sahara-Afrika en Zuid-Azië hebben de hoogste aanwezigheid (ongeveer veertig procent) van zowel inkomens als menselijke armoede. In Sub-Sahara-Afrika nemen beide vormen van armoede toe.