Schuld en boete bij wanbeleid

De voormalige directie van het failliete Van Gils kledingconcern moet van de rechter 10 miljoen gulden betalen aan de schuldeisers. Een record. Curatoren, verzekeraars, advocaten en managers twisten over schuld en boete.

AMSTERDAM, 12 JUNI. Bedragen van 10 miljoen zien ook geharde curatoren in faillissementen van bedrijven niet dagelijks over tafel gaan bij de vraag of ex-directeuren als privé persoon aansprakelijkheid zijn voor wanbeleid. Vier voormalige directeuren van het kledingbedrijf Van Gils zijn door de rechtbank in Breda veroordeeld tot een dergelijke bijdrage in de boedel van het bankroete bedrijf.

Curator mr. L. Luchtman had, als gebruikelijk, het gehele tekort op de voormalige bestuurstop - onder wie drie broers van Gils - willen verhalen, maar daar stak de rechtbank een stokje voor. Zij halveerde de bijdrage aan de boedel.

“Dit is wel zo'n beetje het hoogste bedrag dat ik ken in een veroordeling”, zegt een advocaat die bij verschillende grote aansprakelijkheidsgevallen betrokken is. Sinds 1987 zijn curatoren van bedrijven die falliet gaan verplicht om te beoordelen of wanbeleid van de directie en nalatig toezicht van eventuele commissarissen de oorzaak is geweest van het bankroet.

Het doel daarvan was om malafide praktijken bij vennootschappen de kop in te drukken. Door directeuren persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de schade die schuldeisers hebben geleden wordt het masker van onaantastbaarheid afgerukt dat de vennootschapsstructuur biedt. Niet langer de BV of de NV kan worden aangesproken, maar ook de leidinggevenden.

Dat is niet leuk, zo weten ervaren indieners van schadeclaims maar al te goed. De psychologische effecten op het gezinsleven worden niet geschuwd: als de deurwaarder langskomt, is de betrokken bestuurder lang niet altijd zelf thuis en mag zijn vrouw de miljoenenclaim in ontvangst nemen.

Voor beoordeling van wanbeleid moeten curatoren de drie jaar voorafgaand aan het faillissement onderzoeken. In het begin bleken curatoren onwennig, maar de laatste vijf jaar is sprake van een toenemende animo bij curatoren en bij rechtbanken om aansprakelijkheid te onderzoeken en eventuele claims in te dienen.

Dit groeiend enthousiasme leidt echter ook weer tot kritiek. Sommige advocaten laken het gemak waarmee vakbroeders als curator aansprakelijkheidsclaims formuleren in hun rapportage aan crediteuren. Altijd goed voor een berichtje in de krant, sneren zij. Zij noemen het een lawyers paradise, waarbij de curator op kosten van de boedel en de aangesproken bestuurder of commissaris op kosten van zijn verzekeraar de twist over schuld en boete uitvechten.

“Het rendement is niet echt indrukwekkend”, zei een curator in een groot faillissement onlangs, die zelf nog worstelt met de vraag een procedure te starten of niet. Bij geruchtmakende faillissementen als van DAF (vrachtwagens), Medicopharma (medicijnengroothandel) en recentelijk afvalverwerker TCR hebben de curatoren na enig dubben geen claims ingediend.

Opmerkelijk is dat de toon is gezet door de curatoren van de Tilburgsche Hypotheekbank, een kleine bank die in 1983 op de fles ging. Dat was ver voor de verruiming van de bevoegdheden van curatoren. De Tilburgsche-curatoren hebben stelselmatig zoveel mogelijk betrokkenen aansprakelijk gesteld, zoals de directeur, commissarissen, zelfs de erfgenamen van een overleden commissaris en ook enkele notarissen die betrokken waren bij de aan- en verkoop van vastgoed dat door de Tilburgsche werd gefinancierd. De juridische druk van de curatoren leverde, naast een serie rechterlijke uitspraken die van nut zijn voor de toekomst, onder meer het recordbedrag van 2,5 miljoen gulden op als schikking die met de president-commissaris werd getroffen.

Zulke financiële regelingen waaraan zo min mogelijk publiciteit wordt gegeven zijn de praktijk bij de meeste claims op bestuurders. “Vier van de vijf zaken worden geschikt”, weet een advocaat. Daarbij worden bedragen van gemiddeld enkele tonnen betaald in de boedel voor verdeling onder de schuldeisers.

Alleen in de hele grote zaken, en daarbij gaat het meestal om bedrijven die genoteerd waren aan de Amsterdamse effectenbeurs, wordt zelden of nooit geschikt. Vandaar dat een klein legertje advocaten zich inspant rond claimzaken bij bedrijven als HCS, Verto, Textlite, Bobel en de kleine levensverzekeraar Vie d'Or.

Dat deze affaires slepen heeft te maken met de tijd die het kost om de bewijslast rond te krijgen - inclusief soms aparte juridische procedures om indivuele schuld vast te stellen - en met het financiële belang van de verzekeraars. Meer dan 10.000 polissen tegen claims wegens aansprakelijkheid hebben inmiddels hun weg gevonden naar directeuren en commissarissen.

Bij een schikking kan een verzekeraar bij voorbaat uitrekenen dat het maximumbedrag uit de polis door de curator als het minimum zal worden beschouwd. Dan kan het voordeliger zijn om het op een rechtszaak te laten aankomen en erop te speculeren dat de curator (en de schuldeisers) moegestreden raken. Wordt de claim toegewezen dan komt wellicht het moeilijkste: het bedrag ook daadwerkelijk innen.