Regionale netwerken

Voor alles is er een maat. Voor grootschalige ontwikkelingen hebben we de Europese Unie, voor nationale zaken de rijksoverheid en voor dingen dichter bij huis de gemeente. Overal in Europa wordt echter geconstateerd dat er tussen het land en de gemeente een tussenlaag bestaat, de regio, die een aantal functies vervult die te groot zijn voor de afzonderlijke gemeenten en te klein voor het land.

De provincie kan in ons land hier geen grote rol vervullen omdat de grenzen daarvan voor die taken nogal willekeurig zijn getrokken en de bevoegdheden bewust beperkt zijn gehouden.

Vandaar ontwikkelingen naar clusters van gemeenten - dus agglomeraties zoals in Rotterdam, Amsterdam, Haaglanden en elders in ons land. Daarbij hebben vooral bestuurlijke zaken die regionale maatregelen vergen vooropgestaan. Voorbeelden zijn vervoer, woningbouw, bedrijfsterreinen, milieu, en dergelijke. Voor de bewoners van de betrokken gebieden is dit een wat ondoorzichtig proces zodat het resultaat daarvan - getuige de uitkomst van referendums - niet veel handen op elkaar krijgt. Bovendien hangt er boven de toekomst een vrij dichte mistlaag, ondanks allerlei gelegenheidscompromissen.

Toch zijn er te veel dingen die liggen tussen het servet van de gemeente en het tafellaken van rijk en provincie. Het zijn zaken die voor de burgers van groot belang zijn, maar waarop ze onvoldoende zicht krijgen. Ze betreffen niet alleen het directe woon-, werk- en leefklimaat. Het gaat ook om gezondheid en ziekte (verdeling van ziekenhuizen over de regio en hun specialisatie), cultuur (spreiding van musea, podiums voor de diverse kunsten), winkelcentra, het dagje uit in de buurt, scholen voor de jeugd, sport etc.

Jammer is het dat we er zo slecht in slagen dat duidelijk te maken. Want achteraf bezien hebben we het proces van het groeien naar een bestuursvorm voor de agglomeratie niet zo handig aangepakt. Eerst de centrale stad versplinteren om daarna te pleiten voor een groter geheel van gelijkwaardige partners, klinkt niet erg geloofwaardig. Ook schrikt het de mensen in de buurtgemeenten af als de problematiek van de grote stad - dus bijvoorbeeld werkloosheid, geldgebrek en behoefte aan ruimte - breed wordt uitgemeten. Zij willen daar immers niet voor opdraaien. Veel te weinig heeft men getracht het belang voor alle inwoners van een agglomeratie bij een gezamenlijk handelen te laten zien. Dat kan van twee kanten.

In de eerste plaats kan men aantonen hoe zeer in zo'n regio de belangen van de inwoners zijn verweven. Laten we Haaglanden eens als een voorbeeld nemen. Wat stelt voor de burger die regio voor? Waarschijnlijk veel meer dan waarvan hij zich nu bewust is: - hij woont bijvoorbeeld in Zoetermeer en werkt in Delft - hij woont nu in Den Haag maar wil graag naar een andere gemeente in de buurt - zijn bedrijf is te groot geworden voor het bedrijfsterrein in Voorschoten - een van de kinderen wil naar de Technische Universiteit in Delft - zijn operatie kan het beste geschieden in het ziekenhuis Westeinde in Den Haag - zijn ideale winkelcentrum is in Leidschendam en daarheen wil hij graag met goed openbaar vervoer - hetzelfde geldt voor een bezoek aan een concert of museum in Den Haag.

Dit soort voorbeelden is met honderden uit te breiden. De regio is het netwerk waarbinnen tal van functies worden vervuld. Voor vele daarvan moeten we ons verplaatsen en dat gebeurt in hoofdzaak binnen de regio. Dat was vroeger - zeg aan het begin van deze eeuw - absoluut niet het geval. De gemiddelde Nederlander reisde in die tijd nog geen honderd kilometer per jaar en de inwoners van zeg eens Wassenaar kwamen zelden verder dan het viaduct. Toch is de bestuurlijke indeling van ons land nog ongeveer dezelfde als in die tijd.

Ons individuele en bedrijfsmatige handelen is ver heen gebloesd over wat het bestuur voor de regio kan leveren, althans als we dat bestuur blijven beperken tot alleen de gemeenten. Planologie, transport- infrastructuur, veiligheid, onderwijs en cultuur moeten zich vaak meer op het regionale netwerk richten dan op de afzonderlijke gemeenten daarbinnen.

En daarmee komt het tweede punt aan de orde, of dit met handhaving van de gemeentelijke autonomie op al deze terreinen wel mogelijk is. Natuurlijk kunnen de gemeenten in de regio onderling overleggen, maar dat is een zeer tijdrovend en moeizaam proces. Het komt erop neer dat alle betrokken bestuurders bij alle problemen moeten zitten om te zien of er wat valt uit te ruilen. Want zo gaat het in de praktijk. Men geeft iets dat een zekere populariteit heeft in de eigen omgeving alleen op als er iets voor terug is te halen. Op die manier komt er van een integrale benadering soms maar weinig terecht. En als één gemeente of groep van gemeenten de voet dwars zet gebeurt er niets, want ook de provincie kan in zo'n geval weinig doen.

In veel opzichten is de regio daarom een betere maat voor tal van beslissingen. In Europa zijn de meeste landen dat steeds duidelijker gaan zien. Nu kunnen we erover twisten of bijvoorbeeld Haaglanden zo'n regio moet zijn. Die discussie is nodig, maar het is nog meer nodig dat de burger zelf zicht krijgt op de functies van een regio en dat hij gaat inzien dat er iets moet gebeuren.