Nieuwe voorzitter uitzendbranche wil primaat voor uitzend-CAO; 'Vakbond bevordert starheid'

De Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) heeft na 27 jaar een nieuwe voorzitter. Opvolger van W. Ruggenberg is vice-voorzitter R. Mantel, inmiddels 24 jaar ABU-bestuurder. Mantel was mede-onderhandelaar bij het vorig jaar gesloten flex-akkoord, over de verbe- tering van de rechtspositie van uitzendkrachten.

LEIDEN, 12 JUNI. “Na het flex-akkoord begin vorig jaar heerste in de uitzendbranche een euforische stemming. Er waren mensen die spraken over 'de pacificatie met de vakbeweging'. We dachten dat dit akkoord (waardoor uitzendkrachten na minimaal anderhalf jaar recht hebben op een vaste arbeidsovereenkomst, red.) ervoor zou zorgen dat uitzendbureaus en vakbonden niet langer als vijanden tegenover elkaar zouden staan. Misschien zijn we daarin wel naïef geweest.” Dat zegt R.G Mantel, vorige week gekozen tot voorzitter van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU), waarbij het merendeel van de Nederlandse uitzendbureaus is aangesloten.

De plotseling opgelaaide controverse tussen uitzendbranche en vakbeweging draait om het gebruik van de uitzend-CAO. Deze collectieve arbeidsovereenkomst beperkt zich nu nog voornamelijk tot de vraag hoeveel salaris een uitzendkracht kan verdienen. Daarin komt verandering als het parlement straks instemt met nieuwe wetgeving voor flexibele arbeid. Daarna zijn uitzendbureaus verplicht hun uitzendkrachten na minimaal anderhalf jaar in dienst te nemen - en dus ook salaris door te betalen als er geen werk is. Daarnaast krijgen uitzendkrachten recht op pensioenopbouw en op scholingsregelingen. Als gevolg hiervan zal de uitzend-CAO aanzienlijk worden uitgebreid.

In de ogen van de ABU is het logisch dat die nieuwe CAO automatisch voor alle uitzendkrachten geldt. “Als wij straks als volwaardige werkgever opereren, hebben we ook het recht zelf de arbeidsvoorwaarden te bepalen”, zegt Mantel. De vakbonden hanteren een andere logica: zij streven ernaar in zoveel mogelijk bedrijfstakken en ondernemingen de afspraak te maken dat uitzendkrachten onder dezelfde CAO-regelingen vallen als hun collega's die bij het inlenende bedrijf in vaste dienst zijn. Zo blijven uitzendkrachten relatief duur, redeneren de bonden, en zal de vraag naar deze flexibele werknemers hopelijk beperkt blijven.

De nieuwe ABU-voorzitter, vorig jaar op de achtergrond nauw betrokken bij de onderhandelingen over het flex-akkoord, is de opstelling van de vakbonden in het verkeerde keelgat geschoten. “Blijkbaar ziet de vakbeweging de uitzend-CAO alleen als vangnet, iets om op terug te vallen als bij het inlenende bedrijf geen CAO geldt. Maar dat is niet de grote doorbraak van het flex-akkoord. De doorbraak is dat wij gewone werkgevers geworden zijn. Daar hoort een eigen CAO bij”, zegt Mantel, tevens algemeen directeur van Luba Uitzend Buro.

Volgens Mantel draait de discussie over uitzend-CAO versus inleen-CAO niet alleen om de kosten voor de uitzendbureaus. Ten minste even belangrijk is dat het voor uitzendkrachten zelf verwarrend is bij iedere wisseling van opdrachtgever een andere beloning te krijgen. Zo kan een uitzendsecretaresse bij een bank 4.800 gulden per maand ontvangen en vervolgens bij een ziekenhuis, op basis van de daar geldende CAO, 3.200 gulden. Mantel voorziet dat uitzendkrachten die onder een 'goede' inleen-CAO vallen niet snel geneigd zullen zijn van onderneming te wisselen. “De uitzendbranche is al die jaren het smeermiddel op de arbeidsmarkt geweest. Als de vakbeweging haar zin krijgt, komen er ook voor uitzendkrachten schotten tussen de bedrijfstakken. Dat leidt weer tot starheid op de arbeidsmarkt en doet geen recht aan de functie van uitzendbureaus.”

Mantel hoopt dat een oplossing voor het conflict met de vakbonden over de CAO “in de geest van het flex-akkoord” kan worden gevonden. De ABU heeft de vakcentrales daarom gevraagd samen te zoeken naar een compromis. “Ik begrijp de problemen van de vakbonden wel. Er zijn bedrijven en bedrijfstakken waar de flexibele schil wel heel erg groot is geworden, waardoor de invloed van de bonden minder is geworden. Ik kan me voorstellen dat dat voor de vakbeweging een moeilijke brok is om door te slikken.”

Levert het overleg met de vakbeweging niets op, dan wil de uitzendbranche het parlement vragen de uitzend-CAO wettelijk het primaat te geven boven de inleen-CAO. Waarschijnlijk wordt het wetsvoorstel omtrent de rechtsbescherming van zogeheten flex-werkers pas na de zomer behandeld.

Mantel: “Ons huiswerk is klaar. De CAO-onderhandelingen kunnen beginnen. Maar de politiek gaat veel trager dan we vorig jaar hadden gedacht. We hoopten aanvankelijk per 1 juli van dit jaar van start te kunnen gaan. Misschien lukt het nog per 1 januari 1998, maar ook dat is twijfelachtig.”

Dat de uitzendbranche halsreikend uitkijkt naar implementatie van het flex-akkoord heeft te maken met de groeiende spanningen op de arbeidsmarkt. In ruil voor meer rechtsbescherming voor uitzendkrachten krijgen de uitzendbureaus meer vrijheid van handelen: het vergunningensysteem vervalt, evenals de maximale uitzendduur van een half jaar.

Daarmee vervaagt de scheiding tussen uitzendbureaus en detacheringsorganisaties. Uitzendbureaus waren traditioneel aanbieders van lager- tot middelbaargeschoolde werknemers voor relatief korte periodes, terwijl detacheringsorganisaties zich richtten op hoog opgeleid en ervaren personeel dat vaak voor een jaar of langer bij een klant wordt gestationeerd, maar in dienst is van de detacheerder.

Nu de economie zo sterk aantrekt, lopen uitzendbureaus tegen het probleem op dat het aanbod van tijdelijke werknemers daalt. De laatste maanden was al een afvlakking van de spectaculaire groeicijfers van de uitzendbranche zichtbaar. Bedrijven bieden vooral beter gekwalificeerde uitzendkrachten weer vaste contracten aan. Om in die concurrentieslag overeind te blijven moeten ook uitzendbureaus over de mogelijkheid beschikken om mensen de zekerheid van een vaste baan te bieden. Mantel: “Onze groei wordt beperkt door de instroom van goede mensen. Vandaar dat voor ons het flex-akkoord precies op het juiste moment kwam.”