Minister mag OM vervolging opdragen

DEN HAAG, 12 JUNI. De minister van Justitie mag het openbaar ministerie in individuele zaken opdracht geven om al dan niet tot vervolging van verdachten over te gaan. Dergelijke ministeriële aanwijzingen zullen openbaar worden gemaakt. Zodra de minister een aanwijzing tot niet-vervolging van een verdachte geeft wordt de Tweede Kamer direct ingelicht over de beweegredenen.

Dat staat in het wetsvoorstel voor de reorganisatie van het openbaar ministerie, dat minister Sorgdrager vandaag naar de Kamer heeft gestuurd. De wet geeft verder een wettelijke basis voor de instelling van het college van procureurs-generaal, de leiding van het openbaar ministerie, en het nieuwe landelijke parket van het OM in Den Haag.

Het college van procureurs-generaal protesteerde vorig jaar fel tegen de aanwijzingsbevoegdheid van de minister, omdat de magistratelijke onafhankelijkheid van de officieren van justitie hiermee verloren zou gaan. In oktober schreef de voorzitter van het college, A. Docters van Leeuwen, dat officieren van justitie op die manier afhankelijk worden van “politieke opportuniteit” en dat zij hun “democratische legitimatie” ten opzichte van de rechter verliezen.

Sorgdrager zal de procureurs-generaal nu vooraf de gelegenheid geven “te reageren” op een aanwijzing. Het openbaar ministerie kan echter geen beroep aantekenen tegen aanwijzingen van de minister. Sorgdrager meent dat de openbaarheid van de aanwijzing voldoende rechtsbescherming biedt. Bovendien vreest zij dat verdachten te lang in onzekerheid zouden verkeren over de vervolging en dat de 'redelijke termijn' voor de behandeling van een rechtszaak zal worden overschreden.