LEO FULD 1912-1997; Roem in de VS

De zanger Leo Fuld, die dinsdag op 84-jarige leeftijd is overleden, was al bij de minste of geringste aanleiding graag bereid al zijn wapenfeiten op te sommen - zó graag dat menige toehoorder geneigd was bij dit curriculum vitae een paar vraagtekens te zetten.

Maar dat het bijna allemaal echt gebeurd was, bleek uit de vele foto's die getuigden van zijn warme contacten met de groten van de internationale show business, en uit minstens één authentieke opname van een Amerikaans radioprogramma uit de oorlogsjaren, waarin presentator Frank Sinatra het optreden aankondigt van “the international singing star Leo Fuld”.

Eigenlijk stond Lazarus Fuld, als telg uit een armelijk gezin van Rotterdamse joden, op de nominatie om cantor te worden. Na het winnen van een studiebeurs volgde hij een opleiding tot rabbijn, en in het weekend leidde hij als voorzanger de diensten in verschillende synagogen. Op zijn achttiende raakte hij echter verslingerd aan het wereldse repertoire en twee jaar later deed hij met succes een auditie bij de VARA, waar hij zich gaandeweg ging toeleggen op populaire jiddische liedjes. Met zijn geschoolde tenor, die ver kon reiken en de sentimenten breed kon uitmeten, wist hij al snel een groot publiek aan zich te binden.

Na een geslaagde tournee met het befaamde BBC-orkest van Jack Hylton leek het alsof voor Leo Fuld de wereld open lag. Al in 1936 trad hij in New York op, waar hij vedetten als Marlene Dietrich, Sophie Tucker en Al Jolson onder zijn gehoor wist. En op 14 februari 1940 scheepte “de populaire radiozanger”, zoals het Algemeen Handelsblad hem toen noemde, zich wederom in voor Amerika. Hij maakte indruk met zijn flair en zijn veelzijdigheid, en moest ervoor zorgen dat niemand iets merkte van zijn onzekerheid over het lot van zijn familie in het bezette Nederland. Toen hij hier in 1945 terugkeerde, bleek bijna niemand meer in leven te zijn.

In 1948 maakte Fuld zijn grootste hit: Where can I go?, die ook door veelandere artiesten op de plaat is gezet. Steeds vaker zong hij ook weemoedige nummers als My Jiddische Mama en Wus geween ist geween. In de jaren vijftig opende hij een jiddische club in New York, en in de jaren zestig - toen dat repertoire uit de mode was geraakt - stichtte hij in Amsterdam het café-chantant La Bohème, dat echter al na een jaar moest sluiten wegens klachten over geluidshinder. Daarna raakte Fuld uit de belangstelling.

Tien jaar geleden ging hij weer in Amsterdam wonen. Hij was goeddeels vergeten, tot Netty van Hoorn in 1993 een nogal schrijnende documentaire over hem maakte: een eenzame man tussen de vergelende overblijfselen van zijn eens zo glanzende carrière. Sindsdien trad hij af en toe weer op en in talloze interviews vertelde hij over zijn heldendaden. Kortgeleden hertrouwde hij. En dit voorjaar maakte hij zelfs een nieuwe cd, met het koningsgezinde lied God zegen Nederland, een eigen tekst op God bless America. Dinsdag is hij op straat gestorven, de man die als weinig andere Nederlanders de roem had meegemaakt en ook de keerzijde daarvan.