Joodse coalitie

ROTTERDAM, 12 JUNI. Het moet de secretaris van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK), drs. J. Sanders, zwaar te moede zijn geweest toen vorige maand het door hem geschreven jaarverslag over 1996 van het NIK verscheen. Maar liefst zes pagina's had hij besteed aan de vele besprekingen die vorig jaar zijn gehouden om te komen tot één orgaan dat in voorkomende gevallen namens de gehele joodse gemeenschap zou moeten spreken.

Begin dit jaar was het zover: het Centraal Joods Overleg Externe Belangen (CHOEB) werd opgericht. De deelnemende instanties, het NIK, het Verbond van Liberaal Religieuze Joden, het Portugees-Israëlietisch Kerkgenootschap, het CIDI, het Joods Maatschappelijk Werk en de Federatie Nederlandse Zionisten zouden voortaan via het CHOEB als spreekbuis namens de joodse gemeenschap optreden. Gezien de veranderde samenstelling van de joodse gemeenschap in sociaal, cultureel en religieus opzicht “kan ons kerkgenootschap niet meer pretenderen een monopolie te hebben bij het behartigen van externe belangen”, aldus het jaarverslag.

De inkt van het jaarverslag was nog niet droog of berichten bereikten de buitenwacht dat de samenwerking reeds zo onder druk stond dat deze werd opgeschort. Aanleiding waren twee advertenties in het Nieuw Israëlitisch Weekblad waarin het Verbond de toenemende invloed van de orthodoxie ten koste van niet-orthodox joodse groeperingen hekelde. Niet iedereen toonde zich rouwig over het opschorten van de samenwerking omdat, aldus onder anderen de orthodoxe rabbijn Van de Kamp, het niet zinvol wordt geacht te komen tot een structurele samenwerking met het Verbond van Liberaal Religieuze Joden en omdat de binnen het NIK werkzame rabbijnen zelf al niet stonden te juichen over dit intitiatief. Maar inmiddels is, tot vreugde van de meerderheid binnen het bestuur van het NIK, de samenwerking weer hersteld.

Werd in het NIK-jaarverslag over 1995 de noodklok geluid over de dreigende teloorgang van de joodse identiteit, ditmaal wordt uitgebreid stilgestaan bij een nota van de joodse gemeente Rotterdam over de problemen waarmee men daar te kampen heeft en die exemplarisch genoemd kunnen worden voor nogal orthodox-joodse gemeenten in den lande. De joodse gemeente in Rotterdam heeft alles om zelfstandig te kunnen functioneren: het sjoelcomplex bevat de noodzakelijke faciliteiten, aan het begrafeniswezen ontbreekt niets, er zijn mogelijkheden om joods onderwijs te volgen en er zijn verkooppunten voor kosjer vlees en kosjere levensmiddelen, aldus de nota. Toch zijn de problemen zo groot dat maatregelen genomen moeten worden. De nota rept van een vergrijzend ledenbestand, (éénderde van de driehonderd leden is ouder dan 65 jaar), een afnemende interesse voor religieuze en culturele activiteiten en de vele verhuizingen van gemeenteleden naar Amsterdam/Amstelveen en naar Israel. Volgens het bestuur van de joodse gemeente Rotterdam zit er niets anders op dan met andere gemeenten samen te werken en het aanbod af te stemmen op het ledental. Het NIK-bestuur heeft naar aanleiding van deze nota besloten in september een 'besturendag' te organiseren, waar de top van de 33 orthodox-joodse gemeenten de problemen waarmee zij te kampen hebben op een rij zet en, zo nodig, maatregelen worden genomen om een verdere afkalving van het joodse leven een halt toe te roepen. De 33 gemeenten tellen 5.312 leden. Wat ruim tien jaar geleden nog voor onmogelijk werd gehouden, blijkt nu een feit: Almere heeft een zelfstandige joodse gemeente met ongeveer 70 leden. In 1985 was het aantal in Almere wonende joden zo gering dat het stichten van een aparte gemeente niet verstandig werd geacht. Het nieuws van de oprichting zal Sanders, die na 24 jaar deze zomer vertrekt als secretaris van het NIK, als muziek in de oren hebben geklonken.