Jonge dichters: Van riedeltjes en roffeltjes

Nooit zonder de paarden Jan Baeke, De Bezige Bij.

Welcome Hygiene Paul Bogaert, Meulenhoff/ Manteau.

Copycat Serge van Duijnhoven, Prometheus.

Oedipoes werpt jongen Lernert Engelberts, Uitgeverij De Harmonie.

De Man van Taal Ruben van Gogh, Prometheus.

Tramontane Erik Lindner, Perdu.

Lippendienst Stella Napels, De Arbeiderspers.

De hengstenvrouw Albertina Soepboer, Prometheus.

Double Talk. Rap & Poëzie Samenstelling: Emerald Beryl en Fred Bomber, De Arbeiderspers.

WAAR ZIJN de jonge dichters? Het is een vraag die wordt gesteld in het programma van Poetry International. De vraag wordt nu mij gesteld. Ik zou willen antwoorden: in het struikgewas, klaar om toe te springen en u te verscheuren. Of: in de boekwinkel, u moet hun bundels alleen nog even lezen.

Of, en dat is waarschijnlijk het meest zinnige antwoord: sinds wanneer maakt iemand zich druk over de vraag waar de dichters zijn? Ze zijn al ik-weet-niet-hoe-lang uit het zicht verdwenen - de jonge, de oude en de morsdode.

Alle gekheid terzijde. Alleen al het bestaan van de vraag betekent dat er iets loos is. Laten we hopen dat het uit bekommernis is om de poëzie en om de toekomst van de poëzie. 't Lijkt me waarschijnlijker dat er gewoon iets bestaat als een vage behoefte aan een categorie die 'jonge dichters' heet, op een weer heel andere manier dan men een tekort voelt aan jonge schappenvullers.

Nu is 'dichter' al geen eenvoudig begrip. In verband gebracht met poëzie is het begrip 'jong' nog moeilijker. Om een paar punten te noemen.

Er zijn jonge dichters en er zijn nieuwe dichters. Ik ontkom er niet aan (mijn verontschuldigingen) hier mijn bloemlezing uit de negentiende- en twintigste-eeuwse poëzie te noemen. Bij het werken aan zoiets let je vanzelf op gedichten en niet op geboortejaren. Je ontdekt mooie nieuwe gedichten van een jou nog onbekend dichter en vervolgens wordt er voor de herdruk het geboortejaar bij gezocht, want de volgorde is chronologisch. Ik betrapte me er daarbij wel eens op dat ik verbaasd, zelfs teleurgesteld was over de ouderdom van zo'n nieuwe dichter. Het leek of zo'n dichter niets nieuws toevoegde, er was alleen een stuk tekst tussen Gerrit Krol en Hans Verhagen geschoven.

De leeftijd van de dichter is geen criterium voor het beoordelen van zijn gedichten. Er zit een boel romantiek in de jeugd en er zit een boel romantiek in de poëzie.

Niettemin blijft het een waarheid als een koe: een frisse dichter levert niet vanzelf een smakelijk gedicht op. Op z'n best krijgen jonge dichters van de kritiek en de lezers véél voordeel van de twijfel, maar als ze het niet waarmaken, wacht ze een des te klinkender oorvijg.

Jong betekent niet altijd nieuw en nieuw betekent niet altijd jong. Ik herhaal die scheurkalenderwijsheid maar eens, want het gaat bij het 'jong' in de uitdrukking 'jonge dichters' vanzelf om de algemener honger naar iets nieuws. Er is ook een onophoudelijk gebrek aan jonge televisiemakers en aan jonge filmers. Wie een half jaar meedraait, hoort al bij de oude garde. Wat gisteren gloednieuw was, is morgen oudbakken. 's Avonds geeuwen we om dezelfde die we 's ochtends nog toejuichten. De held van het ene seizoen is een seizoen later weer achterhaald. 't Is de manie van de snelle verveling en de snelle vervanging. Er zit een gelikt en lichtelijk hysterisch kantje aan, maar ik zie het niet als een zorgelijke ontwikkeling. Vitaliteit valt altijd te verkiezen boven de dommel en afwisseling boven de geeuw. Er is in het consumptie-circuit sprake van een steeds groter honger naar het nieuwe van jong, we moeten alleen zorgen dat die cyclus niet te kort wordt en dat iemand enkel door even jong te zijn geweest al oud is geworden. Dat jeugd, om zo te zeggen, zichzelf opvreet.

Een jaar of vijf, dunkt me, mag jong toch wel duren. Laten we zeggen (met een beetje gulheid): pas wie vijf jaar jong is geweest, is onherroepelijk oud.

Dat de houdbaarheid van jong problemen oplevert, blijkt uit de presentatie door Poetry van 'zeven jonge dichters van het festival, in 1960 of daarna geboren'. Zevenendertig en nog jong - dat is bijzonder filantropisch van Poetry!

De negen recent verschenen bundels die nu voor me liggen, zijn ook allemaal van zulke nieuwe of jonge dichters. Nieuwe dichters genoeg dus. Valt er ook - en daar ging de vraag natuurlijk om - iets van een nieuwe dichtkunst in te bespeuren? Nee. Iets van een generatie die alles anders wil en alles anders aanpakt? Nee. Een nog nimmer vernomen geluid? Nee. Iets van een nieuwe trend? Misschien. Dat valt onder achteraf-gelul.

Ik zou zo geen treffende nieuwigheden in de jongste poëzie kunnen aanwijzen - of het moest een grotere lichamelijkheid zijn. Niet in de zin van lichamelijke taal, bewaar me. Nee, in de zin van aandacht voor het mensenlichaam, en dan in meer extremer vormen dan we gewend waren. Er is vaker sprake van geweld. Er is - terug van nooit weggeweest - de fixatie op het eigen lichaam. Het narcisme als dagelijks gebruiksartikel. Het hoeft geen verwondering te wekken dat de masturbatie hoge ogen gooit.

Wat als gemeenschappelijke deler van de nieuwste dichters eigenlijk het meest opvalt is: ze kunnen alles. Melancholiek, cynisch, hermetisch of bevlogen zijn, voor kruidenvrouwtje spelen of vlerk - elk register is mogelijk. Een deuntje Kouwenaar, een riedeltje Kopland, een solotje Beurskens, een behoorlijke roffel Lucebert - ze draaien er hun hand niet voor om. Er is een lichting aan het woord die op bestelling lijkt te kunnen leveren. Vasaal-'s-wat, Kavaaf-'s-iets, heet het zelfs bij een van hen.

'Misschien is er wel niets lichter/ dan hoe je in je nachthemd ligt./ Misschien lig je wel tegen een dichter.' Het zijn regels van Ruben van Gogh in een gedicht dat 'Mogelijk lenteliedje' heet. Mogelijk romantisch is het zeker. Ook verder staan er in zijn bundel De Man van Taal regels over kortstondigheid die net zo goed vijfentwintig jaar eerder verschenen hadden kunnen zijn: 'Een twee drie supernova hoepla,/ daar ben ik weer./ Dáág.' De dichter als duvel-uit-de-doosje die alles van vroeger heeft opgeslorpt. Het bijzondere is niet dat Ruben van Gogh op zo'n gespeeld-naïeve manier traditionele gedichten uit de mouw schudt, het ware fenomeen is dat een dichter als hij moeiteloos kan worden ingebed in een festival van rap en hiphop. De poëzie is democratisch geworden.

Bij Erik Lindner gaat het minder speels toe. Hij deinst in zijn bundel Tramontane niet terug voor echt poëtische taal als 'op zoek naar wankel evenwicht' en 'eenzelvige dagen' en met 'Als er geen weg is kunnen we gaan' voegt hij de zoveelste variant toe aan het genre 'Waar je gevallen bent, blijf je'. Alles is er geweest, zo lijkt zijn boodschap te luiden - tabula rasa, terug bij af.

Waar Lindner een duik terug doet in de natuur stort Jan Baeke zich met Nooit zonder de paarden voorover in de bibliotheek. Hij is dan ook, zegt de flap, bibliothecaris. Ook in deze bundel treffen we een beetje moeë poëzie aan, ook hier lijkt het of je het allemaal al vaker hebt gelezen. 'Er is niets te zien als niemand kijkt.' Er is niets te horen als niemand luistert. Al zappend zet Baeke ons een staalkaart voor van beelden, verbanden, wendingen, afsluitingen en raadsels uit voorgaande poëzie. Als een landmeter zet hij zijn materiaal uit in het landschap dat poëzie heet: gedichten in gedichten. 'We hebben onze expeditie grondig voorbereid./ We kennen de plek/ waar we het spoor bijster zullen raken.' Het landschap staat vast, de dichter raakt op de afgesproken plek de kluts kwijt.

Over verplaatsingen, ontvluchten, bevriezen en inprenten is Paul Bogaert in zijn debuutbundel Welcome hygiene heel wat persoonlijker. 'Ik spreek over de vrieslucht/ (met opzet maakte ik alles nat)/ en over u/ waarmee ik mijn achterhoofd behing/ toen ik mijn hoofd afwendde om niet te zien/ wie het was die mij toen ik dit deed, verving.' Ook hij heeft het hier over de vrijblijvendheid van het nieuwe en de problematiek van de houdbaarheid, maar schrijft daarbij kwalitatief aanmerkelijk betere gedichten. Zijn zelfobservaties zijn daarbij van een, nu ja, hygiënischer gehalte dan die van Albertina Soepboer in De hengstenvrouw, ook een debuutbundel. 'Kom, neem en eet mij', die symboliek beleeft daarin een heropstanding. Maar ook is er het typerende: 'Mijn lichaam kent nog geen sporen./ Heeft nog nimmer het woord liefde/ gebaard en is vol van zoetigheden.' Dit nu is met recht een bundel over het lichaam. Het lichaam van de watervrouw, het lichaam van de kastanjevrouw. 'Een winter aan zee' van Roland Holst verplaatst naar nu. Een beetje decadenter, een beetje visueler, een beetje hardhandiger. 'En ik luister en ik loop niet over het ijs,/ herken de vormen van verleden tijd niet.'

Enfin, ook de toverkollen zijn terug. En de brutaaltjes. Lernert Engelberts (geboren 1977) moet van ons gezelschap wel de jongste jonge dichter zijn. In Oedipoes werpt jongen heeft hij duidelijk Albertina Soepboer op het oog als hij dicht: 'U als kenner van poëzie had/ direct in de gaten dat dit geen/ gedicht was, maar het gebrabbel/ van de schizofreen die al jaren/ onder de Waalbrug woont./ Dit blijft onder ons'.

'Alles is anders' ontdekt Lernert Engelberts in zijn eerste bundel en hij laat niet na ons verslag uit te brengen van zijn verbazing daarover. U mag er van mij geen kwaad woord over verwachten. Die jongen komt wel terecht.

Over een andere dame wier debuut ons wordt gepresenteerd - Stella Napels met de bundel Lippendienst - wil ik kort zijn. Als zij een dame is, ben ik tweeëntwintig. Het lijkt me een nieuwe vermomming van Marieke Jonkman die weer een vermomming was van Anton Ent (geboren 1939). Er is, wat de erotische fantasieën betreft, alleen een schepje bovenop gedaan. Binnen dezelfde bijbelse taal van zonde en wraak is het sado-masochisme explicieter geworden: 'zijn mol die door/ mijn engte brak, blind en vol en dol'. Zo spreekt alleen een heer die zich in een zelfgemaakte dame verplaatst. Een mystificatie van een al ontmaskerd mystificateur - dat is wel heel oud nieuw.

Serge van Duijnhoven beschikt van alle hier genoemde dichters onmiskenbaar over de meeste ambitie. Hij is ook het duidelijkst in de weer met 'jong' en met een begrip als 'generatie': 'voor punk was hij te jong/ voor house te oud, te ziek', heet het in Copycat, zijn tweede dichtbundel alweer. Hij zal zichzelf bedoelen als hij dicht: 'hij zoekt het in den vreemde/ waar alle dingen zijn/ zonder herinnering'. Maar als 'opnieuw ontdekken van het oude' betekent dat je over Sarajevo en de oorlog in de Balkan zulke shit kunt neerschrijven als: 'De oorlog is het/ bewijs dat alles stuk kan/ bibliotheken/ gebedshuizen/ graven/ lichamen/ huwelijken/ liefdes', hou je dan liever bij vertrouwde zaken als ecstasy en balzalen. Toegegeven moet worden dat Serge van Duijnhoven althans de wens koestert de poëzie de wereld in te slingeren en haar een minder steriele rol toe te kennen dan van commentator op de poëzie zelf. Naast zijn tenenkrommende Sarajevo-cyclus staan een paar behoorlijke gedichten en op enkele plaatsen, zoals in Hier in deze balzalen, is er zelfs een kiem van twijfel en ontroostbaarheid zichtbaar. 'Het antwoord danst in/ onbevrediging.' De ware dichter kan dat in zijn zak steken.

Van Duijnhoven nam ook deel aan Double Talk, het aan rap & poëzie gewijde festival waarover nu een boekje verscheen. Opvoeringen voor publiek, vaak katten in een vreemd poëziepakhuis, vragen om een andere techniek, een andere behandeling. Rijm-overdaad en spelletjes zijn ineens toegestaan, zelfs een vereiste. Al juich ik persoonlijk - ik citeer uit een tekst van de Spookrijders, een groep waartoe Serge van Duijnhoven behoort: 'ja iedereen mag weten dat ik kots en dat ik baal/ van dat subtiele racisme in de nederlandse taal/ ja jan en allemaal iedereen doet eraan mee/ bewust of onbewust iedereen vindt het okee' - al juich ik, zei ik, persoonlijk de terugkeer van Willy Alfredo niet toe, het valt niet te ontkennen dat van zulke communicatie-praktijken inspirerende impulsen kunnen uitgaan. Ze was inmidddels ook te onherkenbaar afgedwaald, de arme poëzie, van haar natuurlijke ouders, Adem en Muziek.

Zijn er jonge dichters? Natuurlijk zijn er jonge dichters. De literatuur begint steeds opnieuw. Iets jongs en nieuws in de betekenis van wat ze in de reclame en op de rand van het zwembad van Joop van den Ende onder jong en nieuw verstaan is er onder deze bundels niet bij, maar we moeten het ermee doen. Pas na verloop van tijd zal duidelijk kunnen zijn wat de kiem van iets nieuws in zich had, zo gaat dat in de kunst - of het moet zijn dat de poëzie zelf ten dode is opgeschreven. Als er niet heel binnenkort iets gebeurt of ongemerkt al is gebeurd, dan ligt dat niet aan de dichters, dan komt dat omdat de poëzie zelf haar tijd heeft gehad. Misschien is dat met al die verwijzingen naar herinneringloosheid ook wel zo, 'maar dit blijft onder ons'.

Van Gezelle en Gorter tot Zwetsloot en Soepboer, dat klinkt toch niet verontrustend? Het is voor oudere generaties altijd verleidelijk te zeggen: er is niks nieuws, na ons de zondvloed. Maar triomfalisme is een walgelijke eigenschap, en met ontmoediging valt niet te leven.

En de nieuwe dichter die zichzelf zo flitsend vindt omdat hij 'tot de generatie behoort die met het beeld is grootgebracht', die raad ik aan: ach, meneer, gaat u toch plaatjes tekenen.

C.O. Jellema

Alsof ik dat niet ben - wanneer, na regen

van gisteren wellicht, nog in de gangen

een geur uit een andere tijd bleef hangen:

je komt van buiten, in huis loop je tegen

zo'n beeld van vroeger op, grootmoeders lange

rok ruisend, zwart op wit, je bent verlegen

om woorden en, zolang je hebt gezwegen

in haar voorbijgaan als in droom gevangen

ruik je de weck, fles aan fles in de kelder

het zuurkoolvat, de appelen, de wijn

zoet het slachtwild, van zolder de karwij -

zo'n binnenkomst, voor een moment heel helder

iemand die in de dingen thuis is zijn:

beeld niemandal, straks sterft het weg met mij.

Uit: Spolia, Em. Querido's Uitgeverij BV, 1996.