Een gedicht smaakt ook bij zuurkool

Poëzie is de mooiste en de noodzakelijkste versiering van het leven die er is. Zonder poëzie zou het leven veel moeilijker, soms zelfs bijna onmogelijk zijn. Over poëzie als doel van de menselijke soort.

ER WAS EENS een gedicht in Groningen. Het hing op wel honderd plekken in de stad. Het gedicht heette In Groningen. Het was een gedicht dat wel graag contact wilde hebben met een lezer, daarin leek het op heel veel andere gedichten. Daarom begon het maar vast te praten: 'Je bent in Groningen, zei het gedicht, maar hier/ ben je dat niet, dit is een onbekende/ plek, dit is een gedicht in/ deze stad'.

Er kwam een man langs met zijn hond. De hond plaste tegen het gedicht. Mooi zo, vond die man. Die man was journalist van Het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij gelukkig meestal niet van die apekool aantrof zoals nu overal in de stad hing. Dus ging hij naar zijn krant en schreef een stuk tegen het gedicht. Hij schreef dat zijn hond zeer terecht tegen het gedicht had gepiest. Hij vertelde ook dat hij zag hoe “een heel gewone vrouw op leeftijd” haar tas neerzette en het gedicht begon te lezen. Nu, toen hield hij zijn hart vast, want als zo'n vrouw “meteen al leest dat ze in Groningen is, maar niet hier, dan sta ik niet voor de gevolgen in. Want de Turfsingel is wel degelijk Groningen, meent ze. Als ze nog even doorleest, komt ze bij 'dit is een gedicht in deze stad' en dan loopt ze hoofdschuddend door.”

Dat Groningse gedicht, van Rutger Kopland, riep bij de al even Groningse journalist in 1989 ouderwetse agressie op. Hij zal het ook vast niet hebben betreurd dat het gedicht op veel plaatsen werd beklad, doorboord, kapotgescheurd. Net goed.

Moet je maar niet midden in Groningen gaan beweren dat je een gedicht bent. Moet je maar niet zo nodig de mensen aan het denken willen zetten.

De noordelijke boosheid herinnert aan de tijd dat de politiek zich nog wel eens opwond over een gedicht. In de kribbige reactie uit de Groningse krant hoort men de echo van het Eerste-Kamerlid Wendelaar, dat in 1952 verontwaardigd enkele regels uit Jan Hanlo's gedicht 'Oote oote boe' voorlas: “Meneer de Voorzitter! Ik zal maar niet doorgaan (-) het zou geen zin hebben dergelijke uitingen van decadentie - als men ze ernstig neemt - of van onbeschaamde uittarting van ons, arme lezers - als men ze niet au sérieux neemt - hier te bespreken, ware het niet”, enz., enz.

Beide reacties zijn vermakelijk in hun ergernis, en ze zijn ook nogal onnozel. Misschien zijn ze op één punt hoopgevend: de gewraakte gedichten worden serieus genomen. Op de verkeerde manier, want men wil ze weg hebben, maar toch.

De beide heren verwachtten in ieder geval nog iets van poëzie. De heer Wendelaar bracht die verwachting ook onder woorden: “Juist in een zo moeilijke tijd als den tegenwoordigen behoorden de kunstenaars algemeen hun verantwoordelijkheid te gevoelen, dat ook zij het zijn, die ons boven de narigheid uit moeten heffen.”

Misschien zegt Wendelaar daar wel precies wat er van poëzie nog altijd wordt verwacht: iets hogers en verheffends. Dat is tegelijkertijd ook wat bij veel mensen al bij voorbaat tegenzin opwekt - want wanneer ben je in de stemming voor iets verheffends? Vaak niet. Vaak heeft een mens wel wat anders aan het hoofd en meer zin in wat kletsen, een borrel, op tijd eten. 'Van 8 tot 5 ben ik in ruim twee in touw met het lossen van zwavel het schip moet voor donker nog weg (-) zuurkool vult mijn neusgat als ik tegen zessen thuiskom de krant laat ik toegevouwen liggen mijn interesse voor Heinrich Heine blijkt nihil mijn eetlust gelukkig uitmuntend' Dat schrijft Hans Vlek in zijn gedicht 'Na een dag hard werken'. Wie hard werkt en hongerig thuiskomt, die snakt niet naar Heine, die snakt naar zuurkool. Maar en passant zou zo iemand wel heel makkelijk dit gedicht kunnen lezen over hoe je juist geen behoefte hebt aan poëzie. Want zo is poëzie ook wel weer. Ze is er in alle soorten en maten en men kan er alle kanten mee op.

In de Rotterdamse metro's hangen al een tijdje allerlei gedichten. Mooie, grappige, oude, nieuwe - voor elke stemming voor elk moment van de dag. Ze maken, geloof ik, niemand boos, ik heb althans nog niet gezien hoe iemand zich met een brul op Leopolds Een sneeuw ligt in de morgenvroeg stortte en ook zijn ze, voor zover ik heb waargenomen, niet enorm beklad geraakt. Misschien worden ze wel genegeerd, je weet het niet.

Hield zo'n gedicht maar eens een week een dagboek bij, over de oplettende ogen die langs zijn regels gaan, over onverschillige die even slieren langs een paar woorden, over de boze die het een korte stomp geven in het voorbijgaan. Waarschijnlijk zou zo'n dagboek al gauw klinken als dat gedicht van Kopland: 'Je kwam en gaat weer weg, ook nu./ Zo zal het blijven tussen ons, ik ben/ een onbekende plek'.

Waarvoor dient poëzie eigenlijk? Niet om Kamerleden en journalisten kwaad te maken. Wel om bewoordingen te vinden voor de werkelijkheid, vormen, ordeningen, klanken die maken dat we iets zien, iets horen, iets weten of voelen wat we nog niet eerder zo hadden gezien, gehoord, geweten of gevoeld. Dat kan alles zijn, van hoe het water erbij ligt ('het zachtbespannen tevreeë water') tot hoe je tegen de wereld aankijkt ('Er is alles in de wereld'), van een nauwelijks waargenomen beweging ('niets dan de verdrietige/ beweging van een hand'), tot het zonlicht op rozebottels ('in hartverscheurende belichting').

Wie geen poëzie leest, kan niet denken - als er aan het eind van de dag een vogel voorbijkomt - dat daar 'een enkele, al te late vogel vliedt' en die zegt ook nooit 's morgens tegen wie naast hem ligt 'is u de zachte nacht bevallen?'

Dat geeft misschien allemaal niets, maar jammer is het wel. Er zijn momenten dat de taal de blik richt, er zijn momenten dat men verlangt naar een gedicht.

Veel mensen die nooit een gedicht lezen, laat staan schrijven, beginnen dat ineens alletwee te doen als ze verliefd zijn. Omdat al die onbenoembare gevoelens in gewoon alledaags proza geen uitdrukking kunnen vinden. Het levert vaak machteloze poëzie op, maar ook de bijzonderste leeservaringen. Van Herman Gorter met zijn 'Zie je, ik hou van je/ ik vin je zo lief en zo licht tot Claus' aardse verzuchtingen: Mijn vrouw, mijn heidens altaar,/ Dat ik met vingers van licht bespeel en streel,/ Mijn jonge bos dat ik doorwinter,/ Mijn zenuwziek, onkuis en teder teken' en honderden andere regels die uit hun verband gerukt of met nieuwe ogen bezien allemaal uitdrukken wat niet gezegd kan worden, namelijk hoe het is. Dat hoeft niet verheven te zijn, ook niet 'in een zo moeilijken tijd als den tegenwoordigen'. 'Poëzie is, voor mij althans, niet het vermoeid, roerdompig droevig geroep om de gemiste kans. Het is meer iets van op klompen lopen, knarsen op het grint.' Hier staan ze mooi bij elkaar, in het gedicht 'Poëzie' van Alain Teister: het vermoeide cliché van hoe poëzie vaak lijkt te moeten zijn - 'roerdompig droevig geroep' - tegenover het verlangen naar hardheid en nuchterheid, ook, of juist, in poëzie.

Poëzie is de mooiste, overbodigste versiering van het leven die er is en tegelijkertijd is het een hoogstnoodzakelijk genre waarzonder het leven veel moeilijker zou zijn. Hóe noodzakelijk hebben twee schrijvers duidelijk gemaakt.

De eerste is Alfred Kossmann, die het volgende schreef in De seizoenen van een invalide lezer: “Poëzie heeft trouwens best nut. In 1944 verbleef ik in een dwangarbeiderskamp in Heidelberg, en ik werkte aan de spoor. Wanneer we aan de spoorweg stonden, om met een houweel steentjes onder bielzen te slaan, kwamen Engelse vliegtuigen ons aanvallen, felle vliegtuigen met machinegeweren en twee bommen. We renden de spoorweg af en het veld in. Je moest dan plat op je buik gaan liggen, maar dat kon ik niet, ik vond dat te veel zelfvernedering; ik hurkte in een berm, sloot mijn ogen en zei de laatste twee strofen op van een gedicht van Johan Andreas dèr Mouw. Een lange, vuile jongen, gekleed in vodden en met klompschoenen aan prevelde regels die helemaal niets met zijn situatie te maken hadden maar die erg geruststellend waren.” Volgen twee strofes van Dèr Mouw waarin onder meer de regels ”K zal, tot ik sterf, zijn als een orgelzang,/ Een largo maëstoso van gerustheid'. Het zou niet makkelijk geweest zijn een bewering te vinden die meer tegengesteld was aan de werkelijkheid. Het is een sterk voorbeeld van hoe iemand zich in nood kan vastklampen aan zoiets ongrijpbaars als een gedicht: 'niets kan mij doen vrezen'.

Een zelfde voorbeeld van de reddingsboei die poëzie kan zijn, geeft Primo Levi in zijn Is dit een mens. Hij beschrijft hoe hij in Auschwitz met een Franse medegevangene soep gaat halen. De Fransman zou wel wat Italiaans willen leren en Levi wil hem wel les geven. Hij begint meteen over Dante en citeert uit de Divina Commedia, voor zover die hem te binnen wil schieten. Met hartstocht probeert hij de Fransman uit te leggen waarom sommige formuleringen zo goed zijn, zo onontkoombaar, hij hoort al reciterend wat hij niet eerder in de tekst heeft opgemerkt. Twee hongerige, magere mannen in vieze vodden, lopend door de hel zoals Dante hem nog niet had verbeeld, en de een zegt haastig en gedreven tegen de andere: “Luister, let op, Pikkolo, zet je oren en je verstand wijd open, je moet het begrijpen: 'Bedenkt uit welk zaad gij gesproten zijt: niet om als vee te leven schiep men u, maar om te reiken naar het hoogste en het beste.'

Alsof ik het ook voor het eerst hoorde: als een bazuinstoot, een stem van God. Een ogenblik vergeet ik wie en waar ik ben.''

Vooral die laatste zin - een groter geschenk kan iemand onder die omstandigheden niet ontvangen.

Volgens Joseph Brodsky is poëzie ('the highest form of locution') het doel van de menselijke soort. Brodsky overdrijft graag een beetje. Maar helemaal ongelijk heeft hij niet. Dus wie een gedicht tegenkomt, zo maar ergens in de stad: wees er aardig tegen.

Amanda Aizpuriete

Zou de Muze bij mij langs komen

ik zou haar naar de winkel sturen en de keuken in

zodat ik zelf boven mijn papieren kan talmen.

Dat weet zij en daarom verschijnt ze nooit

maar verzen komen langs andere wegen.

Als sporen van dauw op rozenbladeren

als het rijm van een zonsondergang in de herfstlucht

als vingerafdrukken van de dood op een spiegel;

verzen komen uit een ander daarzijn.

Vertaling uit het Lets: Jan Sleumer en Mara Skujeniece.

Vork

Charles Simic

Dit vreemde ding moet rechtstreeks

Uit de hel gekropen zijn.

Het lijkt op een vogelpoot

Hangend aan de nek van een kannibaal.

Terwijl je hem in je hand houdt

Terwijl je hem in een stuk vlees steekt

Kun je je de rest van de vogel voorstellen:

De kop, die net als je vuist

Groot en kaal is, snavelloos en blind.

Uit: Een hond met vleugels, uitgeverij Meulenhoff, 1993. Vertaling Peter Nijmeijer.