Een excuus aan het volk

In de Securitel-affaire is de regering het contract met het volk niet nagekomen, erkende minister van Economische Zaken Hans Wijers gisteravond in de Kamer. Een openbare biecht moest de breuk tussen regering en volk lijmen en de oppositie ontzenuwen.

DEN HAAG, 12 JUNI. In de wandelgang achter de vergaderzaal van de Tweede Kamer hief Groenlinks-voorman Rosenmöller zijn handen ten hemel. “Waar moeten wij nu nog een motie over indienen na zo veel kritiek van het kabinet op zichzelf?” Een halfuurtje eerder had minister Wijers het parlement overvallen met een boetedoening van een voor Kamerleden verrassende strekking en omvang.

Na eerst een omstandige, feitelijke uitleg te hebben gegeven hoe het zover had kunnen komen met wat inmiddels de 'Securitel-affaire' is gaan heten, concludeerde de voormalige organisatie-adviseur Wijers dat “het tempo waarmee het probleem is aangepakt, veel te traag is. De aanpak is veel te lang op een veel te laag niveau in de departementen blijven steken.” Vervolgens, alsof de geest van Rousseau in hem was gevaren, kwam de bewindsman tot de conclusie dat de staat zijn contract met het volk niet was nagekomen. “Het kan niet anders dan dat kabinet de hand in eigen boezem steekt, en de verantwoordelijkheid, met alle voorgaande kabinetten overigens, neemt, en dat het kabinet zijn excuses uitspreekt naar de Nederlandse bevolking en het parlement omdat de aanpak van de uitvoering van deze Europese wetgeving zo slecht is georganiseerd. We hebben het gewoon niet goed georganiseerd.”

Het biechtbombardement had zoveel kracht dat, achteraf bezien, de interventie van D66-leider Van Mierlo die voorafgaand aan het debat de coalitiepartners waarschuwde het 'zijn' ministers niet te lastig te maken, onnodig was. De ene na de andere parlementariër die zich eerst kritisch had uitgelaten over de wijze waarop het kabinet met de aanmelding van regels bij 'Brussel' was omgesprongen, en over de traagheid waarmee de minister het parlement had ingelicht, kwam op het spreekgestoelte bewondering uitspreken over de kniebuiging van het kabinet en de beterschap die het had beloofd.

Oppositiepartij CDA wist het even niet meer. Woordvoerder Hillen zag zijn strategie doorkruist om Wijers als de golden wonderboy voor te stellen die zich te goed voelde voor “de politiek met de kleine p”, en daarom de informatievoorziening aan het parlement “ook maar met een kleine i schreef”.

Kamervoorzitter Bukman werkte ook al niet mee om Hillens beschuldiging van politieke arrogantie bij Wijers neer te leggen. Bukman had de minister ononderbroken aan het woord had gelaten, klaagde Hillen, terwijl de Kamerleden slechts werd toegestaan bloksgewijs te interrumperen. “Zo krijg je geen flitsend debat”, beet Hillen “blokhoofd” Bukman toe. Het liep toen overigens al tegen tweeën.

Aanvankelijk hadden de christen-democraten een motie willen indienen waarin werd geconstateerd dat het kabinet “tekortgeschoten” was in zijn informatie-voorziening aan de Tweede Kamer. Na raadpleging van de GPVer Van Middelkoop, die voor de gelegenheid de rol van staatsrechtelijk geweten van zijn fractievoorzitter Schutte had overgenomen, vreesde Hillen dat deze term de motie toch een te zware, afkeurende lading zou geven.

Een als milder bedoelde tekst waarin het CDA constateerde dat het kabinet “onzorgvuldig is omgegaan met de gevolgen van het Securitel-arrest”, brandmerkte Wijers echter als “levensgevaarlijk”, en moest de steun van de regeringsfracties ontberen. Een motie die Van Middelkoop zelf indiende, dat het kabinet “in gebreke is gebleven” over de informatie-voorziening aan Kamer, burgers en bedrijven, haalde het evenmin.

Alleen SP-voorman Marijnissen hield stug vol. Hij legde het betoog van de minister dat het pas zin heeft de Kamer in te lichten als er “sprake is van een goed gedefinieerd probleem en een heldere aanpak” naast zich neer. Marijnissen diende twee moties van afkeuring in, één omdat Wijers de Kamer te laat had ingelicht, en één omdat minister Sorgdrager (justitie) het vertrouwen in de rechtsstaat had aangetast met de chaos in de rechtspraak die deze week was ontstaan. Beide keren oogstte hij alleen de stemmen van zijn eigen tweemans-fractie. “Dit parlement is het slapste van Europa”, pruttelde hij na, mistroostig kijkend naar de felicitaties die Wijers na het debat opgewekt in ontvangst nam.

Minister Sorgdrager had minder redenen de vergaderzaal opgewekt te verlaten. Haar geestverwante D66-fractie leverde in nauwelijks verholen bewoordingen kritiek op de late informatievoorziening door de minister aan het Openbaar Ministerie over de gevolgen van het Securitel-arrest. Woordvoerder De Graaf zei dat het hem “voordelig leek in de toekomst de top van het openbaar ministerie in een vroeger stadium in te lichten”. Na enig duw en trekweerk van andere fracties kwam Sorgdrager, na het maxi-excuus van Wijers, met een eigen mini-boetedoening op dat vlak. Na afloop van het debat, vroegen sommige medewerkers van Sorgdrager zich af of de kritiek van de D66-fractie de voorbode vormde van een campagne om het departement rijp te maken voor een overname door fractievoorzitter Wolffensperger. Die had immers in 1994 al minister van justitie willen worden.

Lastig had Sorgdrager het ook met de CDAer Hillen. Die vroeg zich af wie nu gaat voorkomen dat departementen langs elkaar heen werken op het gebied van de Europese regelgeving. Immers, Wijers had gezegd dat bij bijna elke kabinetsformatie sinds 1982 de vraag aan de orde was geweest wie verantwoordelijk is voor de interne Europese markt: Buitenlandse Zaken of Economische Zaken. Ook bij de laatste herijkingsoperatie was men daar niet echt uitgekomen, aldus Wijers.

Volgens Hillen was hier vooral een taak weggelegd voor het departement voor Justitie. “Dat heeft immers een bijzondere verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de wetgeving?” In Hillens ogen ontdook Sorgdrager die verantwoordelijkheid door te stellen dat haar departement alleen “aanwijzingen kan geven”. Het was een variant op wat Wijers eerder had gezegd, namelijk dat het probleem van de niet-aangemelde regelgeving mede veroorzaakt werd door de “decentrale opzet” van de Nederlandse overheid.

Onzeker is of de Kamer zich de komende tijd meer met de inhoudelijke kanten van de Europese integratie gaat bemoeien. De technische uitzettingen van Wijers en Sorgdrager oogstten veel glazige blikken onder parlementariërs. Wel werd een motie van VVD-Kamerlid Voûte aangenomen die de regering uitnodigde voor 23 juni te rapporteren welk maatregelen genomen zijn om de gerezen problemen te verhelpen. Die motie bood althans een aanknopingspunt voor intensievere parlementaire bemoeienis.