Cursus; Schrappen, omgooien, schaven

Het schrijven van poëzie valt niet echt te leren. Toch zijn er volop cursussen. 'Blijf doorpeuteren!'

DE DOCENT: “Gevoelsmatig zou je denken dat-ie vrouwelijk is.”

Cursist 1: “Maar door die stekels denk je weer aan een man, hè.” Cursist 2: “Ik vind het schoteltje eronder eigenlijk mooier.”

De docent: “Dat mag hoor.”

Cursist 1: “Hoe oud is-ie?”

De eerste warme zaterdagmiddag van het jaar. Amsterdam is kalm, strand en park raken vol. In een zweterig klaslokaal middenin de Jordaan turen elf mensen naar een monsterlijke cactus. Cursiste Elza fluistert verheugd: “Kijk! Een man met blote bast voor het raam!” De anderen kijken haar bits aan, turen voort, maken aantekeningen.

Tijdens de derde les van de introductiecursus voor plezierdichters van Schrijversvakschool 't Colofon heeft docent Gerry van der Linden de cactus op een tafeltje gezet. Tien minuten moeten de cursisten er 'associatief' over schrijven. Dan: vijf minuten 'comprimeren'. Scholier Paul, met 22 jaar de jongste: “Wat is dat, comprimeren?”

Van der Linden: “Het tot de essentie terugbrengen. Gewoon schrappen, zeg maar.”

Thuis dient vervolgens op basis van de aantekeningen een cactus-gedicht te worden gemaakt. Om in de volgende les gezamenlijk te bespreken. “De vorm mag je zelf kiezen, maar let op metrum en ritme”, zegt Van der Linden.

“Dat snap ik niet”, antwoordt bloembollenkweker Ben, een zestiger.

Van der Linden: “Metrum is de maat. Ritme, dat zijn de woorden die je benadrukt.”

Monsterlijk, zo leren we al snel, is de cactus dus alleen voor de oppervlakkige beschouwer. De dichter kijkt verder, naar hoe het licht op de stekels valt bijvoorbeeld, of naar de barst in het schoteltje eronder. Een dichter denkt: hoe komt de cactus aan zijn curven? Hoe vóel ik mij, de cactus aanschouwend? Gevoelt de cactus soms ook? En waarom, dit alles?

Cursiste Gerda had er in haar gedicht 'Dichtcursus' over gemopperd: 'Een gedicht/ Als plicht/ (...) Ik voel me zo koel/ En kom niet bij mijn gevoel'.

Is het schrijven van poëzie te leren? Bij dichten gaat het in de eerste plaats om een attitude, zegt Gerry van der Linden. “Technieken vind ik van minder belang, anders wordt het hier een rederijkerskamer. Een sonnet kan kloppen volgens de regels, maar toch niet meer dan een mooie lege huls zijn.”

“Het wroeten in de eigen ziel”, is volgens Rob Schouten “een typische beginnershouding.” Hij begeleidt gevorderde dichters bij 't Colofon. “Beginners zijn niet geneigd de realiteit erbij te betrekken. Het kan geen kwaad ze de straat op te sturen om ze te leren kíjken.”

“Je moet gevoelig worden voor beelden”, vindt Aly Freije, poëziedocente bij de Amsterdamse Stichting Schrijven. Zij begint haar lessen altijd met áfleren: “Mooi schrijven, daar moeten ze het eerst mee ophouden. Geen grote lege woorden maar: concreet blijven. Observerend. Ophouden met al dat autobiografische. En even niet rijmen. Zeker in het begin verval je dan al snel in een soort sinterklaasgedichten.”

Schouten: “Poëzie schrijven is natuurlijk niet écht te leren. Wat je er hooguit aan kunt doen, is een dichter, als-ie eenmaal een beetje is gevorderd, op zijn sterke en zwakke punten wijzen. Het belangrijkste dat ik voor mijn leerlingen doe, is ze op ándere dichters wijzen. Om te zien wat er allemaal mogelijk is. Want de meesten zijn nou niet bepaald poëzielezers. Ze zijn vaak erg met zichzelf en hun eigen werk bezig.”

Talent is de eerste vereiste voor wie dichter wil zijn, vinden ook de beginners uit de klas van Gerry van der Linden. De meesten hebben nog 'geen idee' of ze dat hebben. Naast de bloembollenkweker is er onder anderen een patholoog bij, een psycho-analytica, een grafisch ontwerper, een docent en een verpleegkundige. 'Hobbyisten', noemen ze zichzelf. De een wil haar “eigen gedachten leren samenvatten”, de ander zegt: “Niet iedereen wordt pianist. Maar pianospelen kan heerlijk zijn.” Alleen scholier Paul heeft 'de illusie' dichter te worden. Maar hij wordt hier dan ook 'ons jonge talent' genoemd. Paul dichtte de regels: 'Ik heb de dag/ om van te leven/ maar zonder genezing/ kan ik niet'.

“Ooh”, zuchten de anderen als hij ze heeft voorgelezen. “Moedig!”, zegt iemand. Gerry van der Linden: “Nou, dát is dus mooi. Daar hoef je niets meer aan te doen.”

Op het schoolbord achter haar staat de code voor het dichten: S.O.S.!!! “Schrappen, Omgooien en Schaven”, zegt Van der Linden. “Aan een gedicht blijven dóórpeuteren, dat is de bedoeling. Tot het perfect is.”

Maar ook na drie jaar les kan de behoefte om aus einem Guss de eigen zielenroerselen op het papier te kwakken, groot zijn. Tijdens een les voor gevorderden bij Rob Schouten thuis wordt lang gediscussieerd over een gedicht van leerling Merel (29), dat begint met: 'Het huwelijk is uiteenvallend/ kolengruis/ ik ben een rode draak/ die plamuurt het braaksel met specie'.

“Poeh”, is Rob Schoutens eerste reactie. “Wat bedoelt de dichter hiermee?”

Merel: “Ik was boos op iemand die had gezegd: je zult binnenkort wel trouwen.”

Schouten: “Waar dacht je aan, bij dat braaksel?”

Merel: “Ik was boo-hoos. Dat is zo in me opgekomen.”

Schouten: “Het boze braaksel dus. En verder niks? Je was kwaad, maar als je direct op je emotie gaat schrijven, kan het voor anderen moeilijk te begrijpen zijn.”

Merel: “Ja zeg! Dan kan ik alles wel in twijfel gaan trekken!”

Bijna een uur stelt Schouten met engelengeduld vragen over het gedicht van Merel. Ook zijn andere twee leerlingen blijven kalm.

De een, voorzichtig: “Ik denk dat de opvattingen waarmee we hier gedichten bekijken niet de juiste zijn voor die van Merel.”

De ander: “Merel, het is alsof je niets wilt aannemen. Ik vind het heel moeilijk jouw werk te bespreken.”

Schouten: “Ja. Ik ook.”

Maar Merel wil niet meer over haar werk discussiëren. Zó is het in haar opgekomen, en zó heeft ze het in één ruk opgeschreven. Als ze het aan de lezer zou aanpassen, zou “het niet meer kloppen”.

Wordt een gedicht gekunsteld als je leert manipuleren met poëtische technieken? “Je moet niet te trouw zijn aan je inspiratie”, vindt Schouten. “Een ontwrichtende gedachte in een gedicht komt vaak veel harder aan dan een 'mooie' emotie. En wat is mooi? Candlelight-gedichten, de humuslaag van de poëzie, die moeten 'mooi' zijn. Maar ook een bitter gedicht is prachtig. Een fijn gedicht van gal.”

Beginnende poëziecursisten, zegt Aly Freije, verwachten dat je een gedicht 'goed of slecht' vindt. “En er zitten inderdaad gedichten bij waarvan je tenen krom gaan staan. Daarop reageren, is een kunst op zich. Ik leer de groep hoe ze feedback kunnen geven. Door zinnen aan te wijzen die op grond van de opdracht niet kloppen. Door te letten op mooie beelden, taligheid en gelaagdheid. Een goed gedicht heeft vaak op verscheidene niveaus verschillende betekenissen.”

“Er moet in een gedicht nóg een betekenis zijn. Een gedachte erachter. Je hoeft niet álles op papier te zetten”, zegt Gerry van der Linden tegen cursiste Karijn als zij haar anekdotische gedicht 'De co-assistent' heeft voorgelezen. Karijn heeft zich daarin “helemaal op de drie-regelige strofes gestort”. “Het móest kloppen. Net een kruiswoordpuzzel. Dat vind ik veel belangrijker dan de inhoud.”

Van der Linden: “De vorm zit vast aan de inhoud. Kies een vorm die past bij wat je wilt vertellen. Techniek is een hulpmiddel, meer niet.”

Nu begint de groep te morren.

“Je moet toch eerst de vorm beheersen?”

“Ja! Zoals een schilder zijn materiaal moet leren kennen!”

“En je hebt ook meer mogelijkheden als je de vaste vormen kent.”

“Net als bij het rijm. Als je een rijmwoord zoekt, kan je opeens een heel mooi ander woord te binnen schieten.”

“Wij willen technieken leren!”

“Inhoud heb ik zelf al genoeg. Daarvoor ben ik hier niet.”

De laatste regels uit Gerda's 'Dichtcursus': 'Het is een kwestie van tijd en/ gevoel/ Om te bereiken het ware/ dichtersdoel'.

“Ik weet ook wel dat het nog niet helemaal loopt”, zegt ze erbij, om vervolgens hoopvol nog twee regels aan te wijzen: 'Ik kan mij dwingen/ Om te zingen'.

De namen van de cursisten zijn gefingeerd om redenen van privacy.

Licht, bijvoorbeeld

Jacques Roubaud

Licht, bijvoorbeeld. donker.

Glazen.

Gesloten mond. gaat open voor de tong.

Raam. vereniging van krijtjes.

Borsten. dan kousen. de hand nadert. dringt binnen.

Spreidt.

Opengestreelde lippen. op de knieën.

Daar, een lamp. vochtig

Van alles vervuld, de blik.

Uit: Iets donkers, Uitgeverij PoëzieCentrum, 1986. Vertaling Jan H. Mysjkin.