BUDDINGH'-PRIJS

Zes debuterende dichters zijn genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs voor de Nieuwe Nederlandse poëzie die jaarlijks wordt uitgereikt op Poetry International. Guus Middag las de bundels vermoedt wie gaat winnen.

Wat goed is, komt snel, zeggen ze. Het zal wel waar zijn, maar vaak gaat het ook níet op, zeker in de poëzie. Goede dichters zijn er volop, maar dat valt lang niet altijd aan hun debuten af te lezen. Wat goed is, komt ook wel eens langzaam. Op grond van hun eerste bundels heeft niemand kunnen voorspellen dat Nolens en Beurskens zich tot zulke bijzondere dichters zouden ontwikkelen. Wat goed is, komt ook wel eens laat, om daarna snel de schade in te halen. Tellegen bijvoorbeeld, die veertig was toen zijn debuut verscheen, of Leeflang en Eijkelboom, vijftig toen ze begonnen. En als wat goed is inderdaad snel komt, dan is er soms niemand die het in de gaten heeft. Komrij en Faverey zijn twee van de grootste dichters van de laatste decennia, maar bij hun debuten had nog bijna niemand dat door. En dan is er ook nog de eendagsvlieg. Goed en snel, maar daar blijft het dan bij. Neeltje Maria Min bijvoorbeeld die na haar sensationele debuutbundel Voor wie ik liefheb wil ik heten eerst maar eens 19 jaar zweeg alvorens een tweede bundel te publiceren.

Enige relativering is dus wel op haar plaats als het gaat om een prijs voor poëziedebuten - en nu niet om eventueel enthousiasme bij voorbaat te temperen, maar juist om niet al te veel conclusies te verbinden aan de wat bedaagde indruk die de zes genomineerden van dit jaar achterlaten. De C. Buddingh'-prijs suggereert jeugd en onbevangenheid en hengelen in een kweekvijver vol bruisend talent. Maar van druistige vernieuwing, jonge-hondengeblaf of vadermoordneigingen valt bij de genomineerden weinig te bespeuren.

Het is, als ik iets generaliserends moet zeggen, allemaal erg weloverwogen. Het is dan ook niet vreemd dat ze het afgelopen jaar grotendeels onopgemerkt zijn gebleven. Weloverwogen en onopgemerkt: dat is meteen de titel van de bundel van Piet Gerbrandy, de enige die in bredere kring aandacht heeft gekregen.

Het tweede dat opvalt is de hoge leeftijd van de beginnende dichters. Ze zijn 58, 42, 41 en 39 jaar (resp. Sluijter, Lampe, Versteegen en Gerbrandy). Het is aan Van den Berg en Rozema (allebei rond de 25) te danken dat het gemiddelde nog net onder de 40 uitkomt. Een incident is het niet: de gemiddelde leeftijd van de acht Buddingh'-prijswinnaars tot nu toe lag ook al zo rond de 39. Dat is wel vreemd, en het past niet goed in het clichébeeld van de beginnende dichter als hemelbestormende jongeling. Intussen sluit het aan bij een gegeven dat alweer enkele jaren uit de nominaties voor de VSB-prijs afgeleid kan worden: de gemiddelde Nederlandse dichter bereikt zijn top pas laat, zo rond zijn zestigste.

Verder zou ik niet goed weten wat uit deze gemiddelden afgeleid zou moeten worden - ook niet omdat er genoeg uitzonderingen zijn. Er zijn nog steeds jonge dichters, en sommigen met al heel wat titels op hun naam: Govaerts, Van Duijnhoven of Ghyssaert, om er drie te noemen. En er zijn trouwens ook nog steeds bejaarde dichters die een veel jeugdiger indruk maken dan hun jonge of middelbare collega's: zie het werk van de 82-jarige Vroman.

Het derde dat opvalt is de keurige spreiding over de verschillende richtingen en stromingen. Wie in vogelvlucht over zes debuten gaat, zou een nieuwe plattegrond verwachten, maar eigenlijk voegen ze zich aardig naar het beeld dat ook de Nederlandse poëzie in haar geheel oplevert, en dat alweer decennia lang: een tweestromenland, begrensd door een experimentele en een traditionele stroom, met daartussen allerlei kavels waarin 'het taalmateriaal' of 'de klassieke vorm' meer of minder ondergeschikt is gemaakt aan de inhoud. Verrassend is de nominatie van twee uitgesproken christelijke dichters, zodat het dichterlijke landschap van deze zes nieuwkomers zelfs wel wat weg heeft van dat van de verzuilde jaren dertig: één volstrekte modernist (Lampe), één absolute traditionalist (Versteegen), twee christendichters (Van den Berg en Rozema), één humanist (Sluijter) en één anti-burgerlijke Forum-individualist (Gerbrandy).