Arts in loondienst werkt even goed

In NRC Handelsblad van 7 juni geeft de voorzitter van de orde van Medisch Specialisten, J.H. Kingma, aan waarom de Kamer het wetsontwerp over de 'zorgvernieuwing' niet zou moeten aannemen. Ik kan dat niet goed volgen. Een belangrijk onderdeel van het voorstel is dat de instelling medeverantwoordelijk wordt voor de individuele patiëntenzorg.

De specialist blijft aanspreekbaar voor de consequenties van zijn handelen. Ik kan daar niet het monddood maken van de specialist in zien, temeer niet daar het voorstel de professionele autonomie onaangetast laat.

Kingma vindt dat de medisch specialist geen onderdeel van het geïntegreerd medisch specialistisch bedrijf van de toekomst moet zijn en geeft daarvoor een aantal argumenten. De discussie gaat om een wijziging in een gezondheidszorgsysteem waar veel medisch specialisten nu nog het door Kingma bevochten vrije ondernemerschap uitoefenen.

Volgens Kingma is de Nederlandse gezondheidszorg goed en goedkoop, maar “holt de toegankelijkheid hard achteruit getuige de groeiende wachtlijsten en de dode op de stoep van de intensive care”. Ik kan mij niet voorstellen dat hij met droge ogen wil beweren dat de problematiek rond wachtlijsten en intensive care-capaciteit wordt opgelost door de bestaande situatie te bestendigen. Zolang de vraag naar bepaalde ingrepen toeneemt zonder dat de capaciteit uitbreidt, zullen de wachtlijsten blijven groeien. Die problematiek ligt voor een belangrijk deel aan een tekort aan gespecialiseerd verpleegkundig personeel. In heel Amsterdam zijn op dit moment geen ICverpleegkundigen meer te vinden.

In het kader van het politieke steekspel kan ik mij voorstellen dat Kingma probeert de gevoelens te bespelen, door met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor de individuele patiënt te stellen dat “voor de directie de volgorde andersom ligt: daar staat de continuïteit van de onderneming voorop, het ziekenhuis, en daarna pas komt de zorg voor de individuele patiënt”. Maar in de dagelijkse werkelijkheid zijn beide partijen tot elkaar veroordeeld en werken zij nauw samen; het is geen kip-of-ei-discussie. Daar komt bij dat in de huidige Kwaliteitswet de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de individuele patiëntenzorg bij de instelling ligt.

Wat ik niet kan begrijpen is de uitspraak dat “de aanspraak van de patiënt ernstig gevaar loopt als de specialist niet langer als countervailing power ten opzichte van ziekenhuis en verzekeraar kan optreden”. Als ik Kingma goed begrijp, zal dit met de wijziging van wet veranderen. Laten we ons realiseren dat bijvoorbeeld in Amsterdam bij alle grote ziekenhuizen (AMC, AZVU, OLVG en Slotervaart) de medisch specialisten reeds nu in dienstverband werken en dat de zorg die in Amsterdam geboden wordt nergens ter discussie staat. Juist het goede samenspel tussen de drie partijen (ziekenhuis, medisch specialist en zorgverzekeraar) leidt hiertoe. In het Slotervaartziekenhuis is bijvoorbeeld de voorzitter van de medische staf lid van de onderhandelingsdelegatie van het ziekenhuis met de zorgverzekeraars.

In heel Nederland is een ontwikkeling gaande betreffende een budgettering in de zorgsector, inclusief de inkomens van de medisch specialisten. Daarbij is binnen veel instellingen een inkomensharmonisering gaande. Ten aanzien van de honorering dient nog aandacht te worden geschonken aan bijvoorbeeld de verschillen in praktijkgrootte en drukte tijdens de diensten. Een dienstverband waarbij de chirurg hetzelfde verdient als de huidarts, met hun verschil in werktijden en diensten, werkt in de praktijk niet.

Het is een goede zaak dat de koepelorganisatie van de ziekenhuizen bijna een honoreringsregeling gereed heeft die recht doet aan al deze componenten. Dan kan er een gerede keuze worden gemaakt tussen een dienstverband of werken in vrije vestiging. Voor dit laatste geeft een eerder arrest in de belastingwetgeving ten aanzien van de medisch specialisten met declaratierecht in de academische ziekenhuizen de mogelijkheid.