Wildgroei NGO's bemoeilijkt noodhulp

Het Rode Kruis signaleert een wildgroei aan hulporganisaties in crisisgebieden. Nederland pleit voor toezicht.

DEN HAAG, 11 JUNI. Noodhulp is booming, zo staat er letterlijk in het vanavond te publiceren 'World Disasters Report 1997' van het Internationale Rode Kruis. “Er zijn totaal een kleine 30.000 NGO's (niet-gouvernementele organisaties, red) die zich met noodhulp bezig houden. De laatste tijd struikelen ze over elkaar heen. Er gaat steeds meer geld in om. Wat zijn de bedoelingen van die NGO's?”, zo vraagt Susan Blankhart zich af, co-directeur van de afdeling crisismanagement, crisisbeheersing en humanitaire hulp van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking.

Het Rode Kruis constateert een snelle groei van het aantal NGO's dat zich op de levendige markt stort voor humanitaire hulp in internationale crisisgebieden, zoals voormalig Joegoslavië, Rwanda of Congo. “Om de kwaliteit van de hulpverlening te verhogen, is transparantie van de hulporganisaties een eerste vereiste”, meent het Rode Kruis. Het heeft daarom, drie jaar geleden, een gedragscode ontwikkeld voor hulpverlening in het veld, die inmiddels is ondertekend door meer dan 110 organisaties. En het werkt nu, samen met de VN en een coalitie van Amerikaanse NGO's, aan een verdere technische uitwerking van de gedragscode, een 'humanitaire standaard'. Daarin komt ondermeer te staan wat een humanitaire hulporganisatie minimaal moet kunnen leveren aan de slachtoffers en hoe de organisatie (financiële) verantwoording dient af te leggen aan zowel de bevolking als de donoren.

Het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking zou nog een stapje verder willen gaan. Het zou het liefst een of andere vorm van toezicht willen hebben op de NGO's en op de naleving van de codes en standaarden. Blankhart rept in dit verband zelfs van de wenselijkheid van een internationale ombudsman, al voegt ze daar onmiddellijk aan toe dat die term wellicht niet goed is gekozen. “We moeten de wildgroei reguleren. De ombudsman, of hoe je het ook wilt noemen, moet een soort van coördinatiepunt worden met wie je de wildgroei bespreekt, aan wie je de uitwassen voorlegt. We gaan onderzoeken wat er in het veld gebeurt en leggen dat vervolgens voor aan de ombudman. Waar gaat het mis en hoe kunnen we dat verbeteren? Wat te doen met NGO's die zich niet aan gedragscode houden?”

Blankhart geeft een prangend voorbeeld van waar de wildgroei aan NGO's toe kan leiden: “We hebben het in de vluchtelingen kampen in het Grote Merengebied in Afrika meegemaakt. Bonafide organisaties die heel goed werk doen, worden in de wielen gereden door andere NGO's. Artsen zonder Grenzen bijvoorbeeld had een kliniek gebouwd en dan komt er plotseling een andere organisatie die op tweehonderd meter afstand een eigen kliniek begint.”

Blankhart spreekt in dit kader van het 'Somalië-syndroom' - naar de praktijk van NGO's in het destijds totaal gedesintegreerde en door burgeroorlog verscheurde Somalië. “De NGO's opereren dan in een machtsvacuüm, waar ze kunnen doen wat ze denken dat goed is. Niemand controleert hen en niemand houdt hen tegen als ze het niet goed doen. Dat gebeurde aanvankelijk ook in de vluchtelingenkampen in Congo. Je had daar helemaal geen gezag. Al die NGO's stroomden maar binnen.”

Elke crisis genereert haar eigen nieuwe NGO's, schrijft het Rode Kruis. Zo is inmiddels een derde van de hulporganisaties die in 1994 in het Grote Merengebied werden geregistreerd, alweer verdwenen. De bestemming van 120 miljoen dollar van de totaal 1,4 miljard dollar noodhulp is daardoor niet meer te achterhalen. Deskundigen zijn niet verrast door deze cijfers. In Somalië werden lokale bedrijven van de ene op de andere dag omgezet in NGO's in een poging VN-geld los te krijgen. “In een wereld van humanitaire hulp zonder regels en zonder een controlerend orgaan, kan iedereen noodhulporganisatie opzetten”, aldus het World Disasters Report 1997.

Ontwikkelingssamenwerking in Den Haag overweegt nog deze maand de Adviesraad Internationale Vraagstukken te verzoeken zich uit te spreken over de wildgroei aan NGO's. De vraag die volgens Blankhart moet worden beantwoord luidt: “Hoe kun je een kader ontwerpen dat normen stelt voor het functioneren van humanitaire organisaties en toezicht regelt?”

NGO's uit Nederland hebben overigens weinig te vrezen van toezicht, want vrijwel alle Nederlandse humanitaire organisaties zijn bonafide, meent Blankhart. Het zijn volgens haar vooral buitenlandse, met particuliere middelen gefinancierde noodhulp-organisaties die voor problemen zorgen. In Nederland is het draagvlak voor NGO's in noodhulp nog steeds behoorlijk groot, constateert Frédérique de Man, hoofd van het bureau humanitaire hulp van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. “Er komen zo nu en dan wel wat kanttekeningen in de pers. Maar eigenlijk is het heel rustig. Zelfs de door de KRO-uitgezonden reportage waarin je vijf minuten lang op een en hetzelfde kruispunt in Kigali de ene dure landcruiser na de andere ziet passeren met emblemen van alle NGO's die er maar te bedenken zijn, heeft weinig losgemaakt.”

Kritiek komt wèl in toenemende mate van overheden in de crisisgebieden zèlf. “De nieuwe regering in Rwanda wilde indertijd laten zien dat ze wat kon doen voor het volk”, aldus Blankhart. “Maar ze moest constateren dat het werk uit handen was genomen door de NGO's die dingen deden zonder dat de regering daar iets van af wist.”