Turks leger zet strijd tegen Erbakan door

De Turkse legerstaf, de traditionele beschermer van het wereldlijke karakter van de Turkse republiek, zal niet rusten voordat het 'fundamentalistische gevaar' in het land is geweken.

ANKARA, 11 JUNI. Om hun anti-fundamentalistische boodschap kracht bij te zetten houden de Turkse topgeneraals deze week een serie voorlichtingsbijeenkomsten voor onder andere de media, academici en de rechterlijke macht waarin ze willen aantonen dat er op het economische, politieke en juridische vlak maatregelen nodig zijn om de groeiende invloed van de politieke islam tegen te gaan. Volgens de militairen is met het aan de macht komen midden vorig jaar van de moslim-fundamentalistische Welvaartpartij de islam een grotere bedreiging geworden voor het land dan de separatistische Koerdische Arbeiders Partij (PKK), die sinds 1984 een guerrilla-oorlog voert voor een onafhankelijk Turks-Koerdistan. Net als het Turkse leger het in de afgelopen jaren als zijn grondwettelijke plicht achtte om de eenheid van het land te bewaken, bindt men nu ook de strijd aan met de politieke islam.

Het leger is feitelijk uit op de omverwerping van de coalitieregering van Welvaartspartij en de conservatieve Partij van het Juiste Pad (DYP) van Tansu Çiller. Eerdere pogingen daartoe in de vorm van moties van wantrouwen door een sterk verdeelde oppositie in het parlement mislukten. Dat versterkt de rol van het leger als belangrijkste oppositie en als spreekbuis van de seculiere meerderheid in het land. De politieke oppositie hinkt ideologisch op twee gedachten: men opteert noch voor een militair ingrijpen nog voor een versterking van de machtspositie van de Welvaartspartij. Bovendien zijn de linkse en rechtse politieke blokken hopeloos verdeeld en is men zelfs in het licht van Turkijes nationale belangen niet bereid om zich te verenigen.

Sinds 1960 hebben de militairen drie keer de macht gegrepen in Turkije, waarvan de laatste keer in 1980. De algemene indruk in Turkije is dat een militaire coup gezien de geïnstitutionaliseerde politieke rol van het leger niet langer nodig is: zijn invloed is immers al grondwettelijk geregeld. Anderzijds wordt sterk rekening gehouden met de mogelijkheid dat de 'garnizoens-democraten', zoals de militairen ook wel worden genoemd, de politieke partijen er uiteindelijk toe zullen dwingen om een nationale regering te vormen, als er geen andere middelen overblijven om de coalitieregering van premier Erbakan tot aftreden te bewegen of vervroegde verkiezingen te voorkomen. Voordat Turkije opnieuw naar de stembus gaat - de coalitiepartners willen dat dat wellicht al eind dit jaar gebeurt - moet er volgens de militairen eerst een aantal wetten worden gewijzigd om het seculiere karakter van het land te waarborgen. Het leger maakt zich vooral zorgen om het vacuüm dat in de Turkse wetgeving is ontstaan wat betreft de grenzen van de politieke islam, sinds het schrappen in 1991 van artikel 163 in het wetboek van strafrecht dat elke relatie tussen de politiek en de islam uitsloot.

De nieuwe campagne van de legerstaf om de publieke opinie ervan te overtuigen dat het islamitische gevaar de belangrijkste bedreiging is van het wereldlijke Turkije, is een vervolg op het 18 punten tellende dictaat op 28 februari aan premier Necmettin Erbakan om de radicale uitwassen van de politieke islam te bestrijden en de seculiere identiteit van het land te verstevigen. Maar met het verstrijken van de tijd raken de militairen er steeds meer van overtuigd dat de Welvaartspartij, daartoe in de gelegenheid gesteld door de coalitiepartner (de DYP), niet genegen is om dit ultimatum uit te voeren. De politieke islam zou daarentegen juist uit zijn op de volledige infiltratie van het overheidsapparaat, wat de Welvaartspartij in de gelegenheid moet stellen om op termijn alleen aan de macht te komen.

In het dictaat van 28 februari werd vooral gewezen van de cruciale rol van het islamitische onderwijs, de islamitische organisaties, de islamitische media en de financiële banden tussen de Welvaartspartij en religieuze stichtingen als de bijvoorbeeld invloedrijke Milli Gorüs (Nationaal Gezicht), die een enorme aanhang heeft onder de fundamentalistisch georiënteerde Turken in West-Europa. Alleen al vanuit Duitsland worden volgens de Turkse media jaarlijks honderdduizenden Duitse marken overgemaakt aan Welvaartspartij, zowel op nationaal, provinciaal als gemeentelijk niveau. In de voorlichtingsbijeenkomst gisteren voor de rechterlijke macht werd nog eens fijntjes herhaald dat de islamitische propaganda over omvangrijke middelen beschikt: 19 nationale kranten, 110 week- en maandbladen, 51 radiostations, 20 televisiekanalen, 2500 verenigingen, 500 stichtingen, 1000 ondernemingen, 800 scholen en studiecentra. Bovendien richt de bezorgdheid van de militairen zich op de imam-hatip-scholen, het religieuze middelbare onderwijs, dat een enorme vlucht heeft genomen in Turkije. Om dit tegen te gaan moet de regering in de visie van het leger nog voor het komende schooljaar de algemene leerplicht van vijf naar acht jaar verlengen, maar het is inmiddels duidelijk dat die wet er onder de huidige regering niet komt.

Sinds enkele dagen geleden 'uitlekte' dat het leger een embargo heeft afgekondigd tegen zes grote islamitische ondernemingen in Turkije, variërend van biscuitfabrikanten tot financieringsorganisaties en een grootwinkelbedrijf, worden nu ook de islamitische ondernemers als een bedreiging afgeschilderd voor het wereldlijke karakter van Turkije. Een deel van hun omvangrijke winsten vloeien volgens een onderzoek van de legerstaf naar islamitische organisaties en de Welvaartspartij, waarmee de islamitische propaganda wordt gefinancierd. MUSIAD, de organisatie van islamitische ondernemers, beschikt inmiddels over 3.000 leden die op jaarbasis voor 800 miljoen dollar exporteren. De islamitische ondernemers, veelal afkomstig uit Centraal-Anatolië, worden als een belangrijke steunpilaar gezien van de Welvaartspartij.