Tom America wil zo Nederlands mogelijk klinken

De musicus Tom America zette samen met veertien anderen zeventien gedichten van Jan Hanlo op muziek. “Noten lezen kan ik niet, maar ik koester mijn onbeholpenheid. Met ongeveer niks kunnen en veel willen en voelen kom je een eind”, zegt America over zijn composities.

Tjielp tjielp. Tom America zingt Jan Hanlo. Dureco, ƒ 39,95. Inl. 0294-415.321.

TILBURG, 11 JUNI. Tjielp tjielp? Tom America zingt Jan Hanlo? Bij de grootste muziekzaak van Rotterdam kijken de verkopers elkaar verwonderd aan. Pas na lang zoeken wordt de gezochte cd gevonden: onder de toonbank in een wasmand vol moeilijk te categoriseren muziek. Geconfronteerd met dit voorval weet Tom America zijn Hanlo-vertolkingen zelf ook niet te duiden.

“Het is een allegaartje van jazz, pop, tango, traditioneel Limburgse muziek, Frank Zappa en Laurie Anderson. Ik heb vooral gedaan wat ik leuk vind. Ik ben 48 jaar, de herrie van normale popbandjes geloof ik nu wel. Ik zoek het in andere timbres, in andere wendingen.”

Met veertien muzikanten zette Tom America onder de titel Tjielp tjielp zeventien gedichten van Jan Hanlo (1912-1969) op muziek. Het resultaat is een wonderschone plaat die volledig recht doet aan de melancholieke, onvergetelijke poëzie van Hanlo. Een disco-orgel laat 'Waarover zal ik zingen' swingen. In 'Jossie' klinkt een Turkse trom, en in het klankgedicht 'De Mus' wordt tweeënhalve minuut hartstochtelijk getsjielpt.

“De Hanlo-plaat is een uitkristallisatie van wat ik de afgelopen jaren heb gedaan”, zegt de zanger/componist. “In 1986 ben ik gestopt met in het Engels te zingen. Soms had ik een woordenboek nodig om te beseffen waar mijn liedjes ook weer over gingen. Ik zoek naar zuiver Nederlandse melodieën. Doe Maar was Afrikaans en Jamaïcaans georiënteerd, The Scene Amerikaans. Marco Borsato zingt Italiaanse melodieën, met van die lange uithalen. Ik wil zo Nederlands mogelijk klinken.”

Een liedschrijver is America niet, het liefst werkt hij met ready-mades. Voor de groep Mam, waarmee hij tot 1992 tien jaar speelde, zette hij een krantenartikel op muziek. Ook zong hij een lied waarvan de tekst bestond uit één frase uit een toespraak van minister Brinkman: 'Die tegelijkertijd evenwel nauwelijks.' “Teksten die ongeschikt lijken voor muziek prikkelen me. Als het lukt daar een arrangement bij te maken, is de beloning groot en krijg je iets dat spannend klinkt. De Nederlands taal heeft als nadeel dat ze heel kort is, door al die medeklinkers. Maar het voordeel daarvan is dat je mooie hobbelende melodieën krijgt en grappige, levendige muziek. Als je in onze taal Italiaans wilt klinken moet je je in bochten wringen.”

America komt net als Hanlo uit Valkenburg. Bij het pompstation tegenover zijn ouderlijk huis kocht de dichter soms benzine voor zijn motorfiets. “Hanlo gold als een zonderling. Hij deed zijn best om niet op te vallen, maar er klopte vaak iets niet. Kinderen werden voor hem gewaarschuwd: Kiek oet vur Hanlo. Onzin, want hij was enorm aardig, er is nooit iets gebeurd.

“Twee keer heb ik hem gesproken. Met een stel klasgenoten heb ik hem voor de schoolkrant geïnterviewd. Later hield hij op mijn middelbare school in Maastricht een lezing over Marcel Duchamp en Dada. Het ging ons over de pet, de toon was niet goed. We zijn samen met de trein teruggereisd naar Valkenburg. Hij was terneergeslagen en had weinig zin om te praten.”

In het literaire tijdschrift Maatstaf las America op zijn zestiende het gedicht 'Ik noem je bloemen etc': “Het raakte me meteen. Het was zo eenvoudig, zo weinig, zo onverwacht. Hanlo gebruikt woorden die net droog genoeg zijn om de toon van deze eeuw te raken. Melk, leem, het bleke rood van vaal gesteente - onnozele beelden, maar ze werken wel. Dat is zijn genie.

“Van Hanlo heb ik geleerd dat de woorden vrij zijn. Neem een gedicht als 'Kouwetenendokter'. Dat is bijna een drol, het staat bijna buiten alles. Een ander schrijft iets gewichtigs over de ondergaande zon en Hanlo schrijft Kouwetenendokter. Een openbaring dat je zoiets een gedicht durft te noemen. Behalve de komieke ontroering werd ik ook geraakt door het enorme verdriet in zijn gedichten. Neem 'Opstel'. Die opsomming over de verdoemenis van de mensen om de liefde te veroveren. Als een boekhouder, met hele droge zinnetjes, schrijft Hanlo over het niet-kunnen bezitten van de schoonheid, over zijn verboden passie voor kinderen.”

In een muziekstudio in de tuin van zijn Tilburgse woning werkte America twee jaar aan zijn Hanlo-arrangementen. “Ik heb de woorden hun gang laten gaan. Ik gaf hooguit af en toe een duwtje. Kouwetenendokter, kouwetenendokter - als je goed luistert is de melodie er al. Ik ben een non-muzikant. Noten lezen kan ik niet. Gitaar en keyboards speel ik met handen en voeten, bas op één snaar. Door de computer heb ik de noten ontdekt: op het beeldscherm kan je ze zien liggen. Componeren wordt daardoor veel helderder. De noten liggen niet langer verscholen in een mystiek waas, ze zijn heel objectief.”

Aan de wand van zijn studio hangt een reproductie van een collage van Matisse. “Ter inspiratie. Bij die collage zijn de knip- en plakranden duidelijk zichtbaar. Toch doet dat niets af aan de schoonheid. Je moet dus niet te gelikt en te precies willen werken. Kijk, op mijn keyboard zit een briefje met accoordenschema's. Zonder weet ik ze niet te vinden. Die onbeholpenheid koester ik. Met de computer, met een notenschrijfprogramma, is het goed mogelijk partituren te maken. Met ongeveer niks weten en veel willen en voelen kom je een eind.”

De Hanlo-nummers zijn nog nooit live gespeeld. Volgens America is het te kostbaar om met veertien beroepsmuzikanten op tournee te gaan. “In 1999 is Hanlo dertig jaar dood. Ik streef ernaar om dan in in het Openluchttheater van Valkenburg een eenmalige uitvoering van Tjielp tjielp te geven. Met een grote bezetting. Henny Vrienten op bas, Niko Langenhuijsen op piano, en met Mathilde Santing. Voor haar heb ik 'Aan J.' op muziek gezet. Met het geld van een televisie-registratie moet het lukken.”

America is niet van plan al Hanlo's poëzie te gaan vertolken. “Hanlo zit erop”, zegt hij. Sinds een jaar werkt de componist aan een project met de titel Nootspraak. Met een bandrecorder verzamelt hij voorbeelden van “levend” Tilburgs dialect. Aan het eind van het jaar moet het resulteren in een reeks van twintig concerten met een klassieke bezetting: drie strijkers en twee toetsenborden. Zelf zal hij op het podium de sample-machine met het stemmenmateriaal bedienen. “In volksbuurten praat ik met kinderen en bejaarden. Tilburgs is het meest knoestige dialect van Brabant. De toon ervan is heel laconiek, bijna verontschuldigend, met een vleugje humor.

Ter illustratie laat hij een fragment horen waarop zijn jongste zoon begeleid door strijkers uitlegt hoe onweer ontstaat. “Louis Andriessen zegt altijd: Hoe kom ik aan goede noten? Daar maak ik een variant op: Hoe kom ik aan noten? Ik ben geobsedeerd door spraak. De spraak is mijn scheidsrechter, die bepaalt welke noten ik gebruik. Nootspraak moet mensen de ogen openen voor de rijkdom van onze taal. Ik hoop dat de luisteraar er in eerste instantie geen raad mee weet - dat hij de slappe lach krijgt, of ontroerd raakt. Ontregelen, dat is wat ik wil.”