Rekenkamer: steun voor Oost-Europa heeft weinig effect

DEN HAAG, 11 JUNI. De subsidies waarmee Economische Zaken het Nederlandse bedrijfsleven in Oost-Europa tracht te stimuleren hebben nauwelijks effect. Ook leiden ze niet tot de beoogde omslag in Oost-Europa van centraal geleide naar marktgerichte economieën.

Dat schrijft de Algemene Rekenkamer in een vandaag verschenen rapport waarin veertig projecten uit het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) van Economische Zaken worden geëvalueerd. De projecten, samen ter waarde van 120 miljoen gulden, lopen uiteen van hulp bij de kolenreiniging in de Poolse Brzeszcze-mijn tot scholing van Hongaarse luchtvaartmanagers en een gemeenschappelijke studie naar aardappelverwerking in Rusland.

Volgens de controleur van de Rijksfinanciën wordt de tweeledige doelstelling niet gehaald, omdat het voor, tijdens en na de uitvoering van projecten ontbreekt aan respectievelijk succesnormen, voortgangsrapportages en evaluaties. Hierdoor blijven subsidies naar bijvoorbeeld Polen, Tsjechië en Hongarije gehandhaafd, hoewel deze landen de omslag naar de markteconomie vrijwel hebben voltooid.

Bovendien investeren Nederlandse bedrijven steeds meer in deze landen, waaruit blijkt dat ze voldoende toegankelijk zijn geworden. Vooral in Polen blijken Nederlandse investeerders vertrouwen te hebben; 45 procent van het in Oost-Europa geïnvesteerde vermogen (1,6 miljard gulden) ging naar dat land, gevolgd door Tsjechië (18 procent), Hongarije en Rusland (beide 13 procent).

De Rekenkamer meent dat er evenmin veel deugt van de wijze waarop vervolgprojecten tot stand komen. Deze worden namelijk altijd gegund aan de uitvoerder die ook het voorgaande project onder zijn hoede had en dit vaak niet tot een goed einde heeft weten te brengen. Daardoor komt van concurrentie door vrije aanbesteding weinig terecht, aldus de Rekenkamer.

Centrale en negatieve rol daarbij speelt het agentschap Senter, dat de projecten aan de uitvoerders toewijst, het doel van elk project vast moet stellen en het beheer coördineert. Volgens de Rekenkamer is het niet correct dat Senter ook nog de projecten zelf inspecteert, omdat het daarmee diens eigen inspanningen evalueert.

Premier Kok pleitte onlangs nog voor bundeling van projecten voor Oost-Europa. In die regio zijn naast afzonderlijke landen ook organisaties actief als IMF, Wereldbank, de EU en de Herstelbank voor Oost-Europa. Volgens Kok is de effectiviteit van veel van deze projecten twijfelachtig. Gezamenlijke aanpak zou de economische infrastructuur in Oost-Europa ten goede komen.