Nederland wordt een gerontocratie

De 65-jarige leeftijd van mevrouw Borst, de nieuwe lijsttrekker van D66, speelt een rol in veel politieke commentaren. In het hoofdredactioneel commentaar (NRC Handelsblad, 2 juni) wordt zij een 'vakminister-op-leeftijd' genoemd. Een hierbij veel gehoorde opmerking luidt, dat ouderen - ook onder politici - het veld dienen te ruimen voor jongeren. Dit argument gaat voorbij aan het demografisch gegeven dat het aantal jongeren in de Nederlandse samenleving sterk terugloopt.

Deze leeftijdsdiscussie is kenmerkend voor onze maatschappij, waarin het leven in plakjes is ingedeeld. Zo wordt men tussen de 60 en 65 jaar gedwongen om met pensioen te gaan. Het is wellicht verhelderend te signaleren dat het enkel politieke redenen waren die Bismarck er in de vorige eeuw toe brachten om de leeftijd van 65 jaar als pensioengerechtigde leeftijd in te voeren.

Bismarck kon dit politieke gebaar maken, omdat in die tijd slechts weinig mensen de leeftijd van 65 jaar bereikten. Daarnaast bood het hem de gelegenheid af te rekenen met een aantal hem onwelgevallige, oude ministers.

Er is thans geen enkele reden om in de politiek 65 jaar als leeftijdsbegrenzing te hanteren. De gemiddelde levensverwachting van de Nederlandse parlementariërs ligt ondanks hun stressvolle bestaan niet onder het Nederlands gemiddelde.

Mevrouw Borst kan daarom statistisch gezien nog 19 jaar als lijsttrekker optreden. Dit geeft weinig grond voor de verwachting dat zij op basis van haar leeftijd slechts als tussenpaus zal kunnen functioneren.

De discussie over de rol van ouderen in de politiek is van alle tijden. Omstreeks het jaar 100 anno Domini analyseerde Plutarchus het enkele eeuwen daarvoor gevoerde debat over de gerontocratie tussen Plato (die 81 werd) en Aristoteles (die 62 werd). Hij concludeerde dat ouderen zich niet uit het politieke leven moeten terugtrekken. Het is volgens hem zelfs nooit te laat om een politieke carrière te beginnen.

Oudere kiezers in Nederland vormen een politieke factor van toenemend belang. De komende twintig jaar zal het aantal Nederlanders van 65 jaar en ouder stijgen tot bijna een derde van de kiesgerechtigde bevolking. In een tijd waarin partijtrouw een onbeduidende rol speelt, zullen oudere kiezers hun stem vooral uitbrengen op een partij die hen als doelgroep serieus neemt.

Tot een enkele partij lijkt deze politieke werkelijkheid nog niet doorgedrongen. Door deze partij worden oudere Kamerleden gedwongen hun plaats af te staan aan jongeren.