Hoofdcommissaris Brinkman over conflict bij de Rotterdamse politie; 'Wat ik ook zei, ik bleef een pion van Peper'

De Rotterdamse korpschef J.W. Brinkman wil een onderzoek naar het functioneren van burgemeester Peper als korpsbeheerder van het politiekorps Rotterdam-Rijnmond wil. “Vanuit het stadhuis wordt het politiekorps als een risicofactor gevolgd. Dat is uniek in Nederland.”

WASSENAAR, 11 JUNI. “In de media is een komedie neergezet met karikaturen van een luidkeels protesterende korpschef en een geschokt regionaal college. Mijn optreden paste echter in een normale manier van werken.” Dat zegt korpschef Brinkman in een terugblik op het dramatische hoogtepunt in zijn betrekkingen met burgemeester Peper en de overige 21 burgemeesters van de Rijnmondgemeenten - de vergadering van het regionaal college op maandag 2 juni. Toen viel het besluit over het rapport-Peper ('Beleid en balans') waarin oplossingen staan om een eind te maken aan het conflict tussen Brinkman en de ondernemingsraad van het politiekorps die eind april het aftreden van Brinkman eiste.

“Op de vrijdag voorafgaand aan die maandag hadden Peper en ik afgesproken dat ik het concept-rapport tevoren zou kunnen inzien. Dat gebeurde niet. Ik kreeg het rapport pas een half uur voordat de bijeenkomst van het regionaal college begon. Ik dacht ook dat wij vrijdag een goede afspraak hadden gemaakt dat de korpsleiding niet zou worden uitgebreid met een vijfde man (die belast zou worden met het overleg met de ondernemingsraad en de politiebonden). Maar Peper stelde dat juist wel voor. Nadat de enkele burgemeesters en de Rotterdamse hoofdofficier van justitie mr. De Wit hun instemming met het rapport hadden betuigd heb ik het woord gevraagd en gezegd dat ik moeite had met de uitbreiding van de korpsleiding. Toen ontstond een merkwaardige situatie omdat het kennelijk niet gebruikelijk is dat de korpschef bezwaar maakt tegen de tekst die door de korpsbeheerder is opgesteld. Dat werd mij althans te verstaan gegeven. Er ontstond een ongemakkelijke discussie met de heer Peper en vervolgens werd er geschorst. Daarna heb ik aangegegeven dat ik even wilde nadenken over deze passages. Dat is een normale manier van werken. Als je ergens niet mee kunt leven als korpschef, dan bedenk je je en vervolgens trek je conclusies: of je stapt op of je stemt ermee in. Ik heb de volgende dag gezegd dat ik er alsnog mee instemde mede terwille van het hogere doel - het bereiken van een oplossing voor het geschil met de ondernemingsraad. Dat heb ik geprobeerd dinsdagochtend om negen uur duidelijk te maken in een wat geagiteerd gesprek met Peper. Die boodschap is niet helemaal overgekomen. De volgende dag merkte ik dat men nog zat te wachten. Ik heb toen een fax gestuurd naar de burgemeester en ik weet zeker dat hij de boodschap dat ik het rapport volledig zou uitvoeren, heeft ontvangen. Hij heeft zich daarop telefonisch voor mij onbereikbaar gehouden. Daarmee was voor mij de kous af.”

Drie dagen na dit incident, op donderdag 5 juni stelden de Rijnmond-burgemeesters vast dat Brinkman met zijn optreden het vertrouwen 'ernstig had ondermijnd'.

“In het verslag van die bijeenkomst is mijn mededeling dat ik het rapport loyaal zou uitvoeren, niet meegenomen. Er werd net gedaan of ik nog steeds aan het beraden was, terwijl mijn standpunt al in de kranten van die dag stond. In de reactie van het college en vooral van zijn woordvoerder (Peper, red.) zit iets heel kunstmatigs. Kijk naar de tekst: men heeft het vertrouwen ondermijnd verklaard. Dat weerhield de heren Jansen en Broekhuis (de burgemeesters van resp. Krimpen aan den Ijssel en Spijkenisse), beiden spreekbuis van Peper, er niet van om luidkeels te verklaren dat het vertrouwen was opgezegd. In het college had Peper echter geen meerderheid gekregen voor zijn voorstel het vertrouwen op te zeggen, met name door het verzet van hoofdofficier van justitie mr. De Wit, het enige onafhankelijke lid van het regionaal college.”

Geeft deze gang van zaken u aanleiding te denken dat eigenlijk al veel eerder was besloten dat u beter kon opstappen?

“Daar kan ik geen uitspraak over doen. Ik kan alleen constateren dat ik naar mijn gevoel mijn verantwoordelijkheid heb genomen en dat er vervolgens een onvoorspelbare reactie kwam die een sterk kunstmatig karakter had.”

Wat is naar uw oordeel de aard van het conflict met de ondernemingsraad? De OR en de bonden eisten eind april uw aftreden wegens inhoudelijke bezwaren, maar nog meer meer wegens uw 'autoritaire' stijl van leiding geven.

“Ook dat is een onlogische ontwikkeling geweest. Twee weken voordat het vertrouwen werd opgezegd, stond in de krant van de OR 'we hebben niks tegen de plannen van de korpschef noch tegen de (persoon van de) korpschef'. Dat schreef de voorzitter K. Noteboom van de OR in zijn eigen blad.”

Peper constateert in zijn rapport dat uw managementsstijl 'te schielijk zou zijn voor de in praatcultuur getrainde politieorganisatie'. Die wijkt sterk af van de cultuur in de krijgsmacht (Brinkman is ex-generaal-majoor van de landmacht. red.) Spitst alle kritiek zich op dit punt toe?

“Daar geloof ik niets van. Ik merk in mijn directe omgeving helemaal niet dat er een onoverbrugbaar cultuurverschil zou zijn. Veel mensen in het korps zeggen me: het is een verademing zoals u werkt. We weten weer hoe en wie wat doet. Ik denk dat de politie aan mijn ervaringen in de krijgsmacht iets kan hebben. Anderzijds wordt van mij verwacht, daar ben ik me terdege van bewust, dat ik mij de politiecultuur eigen maak. En ik verdiep me daar elke dag meer in.”

Hoe verklaart u het conflict met de ondernemingsraad, dat ten slotte tot het conflict met Peper en het regionaal college leidde?

“Dat conflict is het gevolg van een proces dat al voor mijn komst in Rotterdam is begonnen. Er was al lang een gespannen verhouding tussen de medezeggenschap en korpsbeheerder Peper. Toen ik kwam heeft de OR een negatief advies uitgebracht. De OR wilde geen buitenstaander als korpschef. Dat had niets met mijn persoon te maken, dat zeiden ze ook. Dat vertrouwelijk advies is door Peper naar buiten gebracht, tegen de wensen van de ondernemingsraad in. Daardoor waren OR en politiebonden ontzettend op hun tenen getrapt. Dat zette direct de zaak op scherp. In hun ogen was ik de man die namens Peper de puntjes op de i kwam zetten.”

“De eerste maanden heb ik een normale verhouding met OR en bonden gehad. In december heb ik mijn analyse gemaakt over het korps, ik constateerde naast een heel aantal goede dingen ook zwakke punten. Die analyse heb ik met de korpsbeheerder besproken voordat ik ze in mijn nieuwjaarstoespraak naar buiten zou brengen. Wie schetst mijn verbazing dat de heer Peper in december zelf al aangaf dat er iets ging gebeuren, daarmee de indruk versterkend dat deze korpsschef zijn opdrachten uitvoerde. Maar het was mijn analyse en ik heb nooit een concrete opdracht van de heer Peper gekregen. Dat was ook niet nodig want we zaten qua opvatting en benadering geheel op een lijn, tot op de dag van vandaag overigens. Maar opnieuw was de OR bijzonder geprikkeld. Maar de OR kan zich alleen tegen de korpschef keren, niet tegen de korpsbeheerder, die staat niet op het veld.”

“In januari, bij de eerste de beste gelegenheid, liet de OR dat blijken. Ze maakten procedurele bezwaren, schorsten en staakten het mondeling overleg. Ze hadden nadrukkelijk het idee 'Brinkman doet precies wat de korpsbeheerder zegt en we zullen laten zien dat we dat door hebben'. Ook speelde een rol dat ik niet, zoals mijn voorganger, uitgebreid vooroverleg met de OR had gevoerd over mijn voornemens. In Rotterdam is de OR altijd, vanuit een genereuze opvatting over medezeggenschap, meer dan bij andere korpsen zeer nauw betrokken geweest bij wat de leiding deed. Dat had ik niet gedaan en dat maakte ze ook argwanend. Overigens, tot op de dag van vandaag heeft de OR niet echt moeite met de ideeën die ik heb gelanceerd. Simpelweg omdat we in Rotterdam allemaal weten dat het korps uitstekend functioneert, maar dat het op bepaalde punten nog aanmerkelijk beter kan - dat geldt voor de OR, voor de korpsleiding en de managers.

“Na opschorting van het overleg ging de discussie met de OR alleen nog over de vraag over hoe met de medezeggenschap moest worden omgegaan. Wat ik ook zei, men geloofde het niet, want ik bleef de pion van Peper. Bij een gesprek met de OR in Vlissingen over voorgenomen reorganisaties (zoals vermindering van het aantal districten, job rotation en trainingen) bleek dat de OR nog uitging van het zogenoemde instemmingsrecht in plaats van adviesrecht dat met mijn voorganger was afgesproken. Maar de korpsbeheerder was het daar niet mee eens, dat was bekend. Ik zat daar dus klem: ik had formeel niet de positie om dat instemmingsrecht toe te kennen. Dat moet de korpsbeheerder doen. Ik wilde me voorlopig houden aan de zuivere interpretatie van de wet op de ondernemingsraden. Die positie neemt de meerderheid van de korpschefs in het land in. Maar er knapte iets bij de OR. In de gespannen situatie die toen ontstond, keek iedereen naar de korpsbeheerder. Maar Peper stelde zich terughoudend op. Daarop zag je de zelfbewustheid bij de OR en de politiebonden groeien. Ze putten moed uit die terughoudendheid. Die werd uitgelegd als 'misschien steunt Peper de korpschef niet als we hem maar stevig genoeg aanpakken'. Zodoende werd ik plotseling geconfronteerd met het bizarre gegeven dat het vertrouwen in mij werd opgezegd. Wegens gebrek aan zakelijke argumenten werd dat compleet op mijn persoon gericht. Het bizarre was dat ik na dertig succesvolle jaren in het leger als een krullenjongen werd neergezet.”

Nadat de OR uw vertrek had geëist, volgde de bemiddelingspoging van Jansen en Broekhuis, die resulteerde in een rapport dat in hoofdlijnen door korpsbeheerder Peper is gevolgd.

“Daarbij deed zich ook iets bizars voor: het rapport werd tot mijn stomme verbazing aan de media uitgedeeld voordat ik het gezien had. De heer Peper en de andere leden van het presidium van de regionaal college hadden me wel in algemene zin geïnformeerd. Ik had de indruk dat er een communiqué zou worden uitgegeven en dat het rapport vertrouwelijk zou blijven. Het ging allemaal nogal fors. En ik vond dat de problemen zeer eenzijdig of nadrukkelijk op de schouders van de korpschef werden gelegd. De procedure heeft mij zeer verbaasd. Ik vond dat weinig galant. Ik heb daar met de korpsbeheerder over gesproken en die heeft mij toen toegezegd dat ik in ieder geval zijn eindrapport zou kunnen inzien voordat hij dat zou publiceren. Maar de zondagavond voorafgaand aan maandag 2 juni, heb ik tevergeefs zitten wachten op Pepers rapport. Ik kreeg het maandag, een half uur voor de vergadering van het regionaal college. Ik had in de week ervoor wel een bespreking met Peper over een aantal verschillen van inzicht die we hadden. Daaruit heb ik het idee overgehouden dat de vijfde man in de korpsleiding waar ik ernstig bezwaar tegen had, er niet zou komen.”

“Ik was die maandag al enigszins gepikeerd dat ik het stuk ondanks de afspraak niet van te voren had gekregen. Ik was nog meer gepikeerd dat er toch een vijfde man in de korpsleiding zou komen. Als de man die dit dikke rapport met zijn zeer pretentieuze titel Beleid en balans moest gaan uitvoeren, met mijn korpsleiding die nog steeds incompleet is (er is een vacature en de plaatsvervangend korpschef wil weg, red.), vond ik het mijn verantwoordelijkheid om de vraag te stellen: wat gebeurt hier?”

Na afloop van de bijeenkomst werd gezegd, onder meer door burgemeester Jansen, dat sommige burgemeesters geschokt waren door uw optreden.

“Ik ben gewend mij duidelijk uit te drukken. Dat kan best enige verbazing wekken. Ik heb het regionaal college gezegd dat het tijd was om heel ferm te zijn. Ik bedoelde daarmee dat waterige oplossingen nooit tot een goed resultaat leiden. Hier een mannetje erbij, daar burgemeesters bemiddelen, de korpschef nog wat bekritiseren - dat zou mijn stijl niet zijn. Ik heb toegelicht dat niet alleen ik, maar het gehele management van het korps tegen die vijfde man in de leiding ben.”

Welke conclusies verbindt u aan deze procedurele gang van zaken?

“Ik heb altijd bevoegd gezag gehad en heb daar nooit enig probleem mee gehad. Maar je hebt als leidinggevende enige ruimte nodig om te kunnen functioneren. Als je bij de voorbereidng van twee rapporten (dat van Jansen/Broekhuis en Pepers rapport) niet volwaardig wordt betrokken, dan wordt je niet goed aangestuurd. Zo ga je niet met elkaar om als korpsbeheerder en korpschef. In het regionaal college heerst kennelijk een sfeer van dat er geen keuze meer mogelijk is voor de korpschef nadat de korpsbeheerder heeft gesproken. Maar ik vind het onfatsoenlijk om de korpschef niet te betrekken bij het opstellen van het eindrapport. Als de heer Peper zo met zijn korpschef wil omgaan, dan heeft hij inderdaad een taxatiefout gemaakt.”

Brinkman plaatst ten slotte nog een scherpe kanttekening bij de werkwijze van korpsbeheerder Peper.

“Pepers secretariaat op het stadhuis vervult een soort second opinion-rol. De korpsleiding wordt vanuit het stadhuis nauwgezet gevolgd en gekritiseerd. Dat heeft nare effecten voor het werk in het hoofdbureau. Er ontstaat defensief en risicomijdend gedrag dat haaks staat op de gezonde ontwikkkeling van het korps. Het is ook uniek in Nederland. Het lijkt wel of de korpsbeheerder het politiekorps beschouwt als een risicofactor. Dit systeem werkt wantrouwen en achterdocht in de hand. Met zijn optreden van de laatste weken heeft Peper het gehele management van zich vervreemd.”

Welke invloed hebben deze ontwikkelingen op de stemming in het korps?

“Ik krijg de hele dag brieven van het korps. Dat zijn hartverwarmende momenten. De politieagenten op straat hebben niet echt belangstelling voor de problemen met de OR en het regionaal college. En het management steunt overwegend mijn aanblijven. Tijdens de twee cupfinals in mei en het bezoek van presdident Clinton heeft het korps goed gepresteerd. Ook daarom zie ik geen reden om afscheid te nemen. Als ik weg zou gaan - wat ik niet van plan ben - zouden de politiebonden victorie kraaien. En dat heeft Peper ze dan geschonken.”