Geluksdelirium in Vermeulens Zesde

Concerten: Quirine Viersen, cello en Silke Avenhaus, piano, Christa Pfeiler, mezzo-sopraan en Rudolf Jansen, piano. Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Werken van Varèse, Vermeulen en Zimmermann. Gehoord: 10/6 Concertgebouw Amsterdam.

“Ik kan het gecomponeerde niet overschrijven zonder dat het me letterlijk dronken maakt”, noteerde wie anders dan Matthijs Vermeulen over zijn arbeid aan de Zesde Symfonie 'Les minutes heureuses' (1956-1958). Hartmut Haenchen bood dinsdagavond met een geïnspireerd Nederlands Philharmonisch Orkest zijn kleurrijke visie aan op genoemde gelukzalige momenten. En daarmee kwam de Vermeulen-estafette in het Holland Festival over de helft: de symfonieën 1, 4, 3 en 6 zijn gespeeld, de nummers 2, 5 en 7 hebben we nog te goed.

'Les minutes heureuses' is een citaat uit Baudelaire's gedicht Le balcon: 'Je sais l'art d'évoquer les minutes heureuses', geldig voor zowel Baudelaire's poëzie als voor Vermeulens muziek. Beiden verstaan de kunst gelukkige momenten op te roepen. Voor Vermeulen zelf bracht de muziek bij cijfer 50 in de partituur de meeste gelukzaligheid. In een heel wijde ligging houden de strijkers lang uitgerekte akkoorden aan, zacht maar tegelijkertijd - typisch Vermeulen - hoogst expressief. Het zijn begeleidingsfiguren die elk moment “in bloei kunnen raken” want Vermeulen is één grote tovertuin. Onder die strijkers 'geurt' de saxofoon zacht én gepassioneerd - weer typisch Vermeulen. Een tweede sax, hobo, alt-hobo en ten slotte fluit en klarinet versterken het aroma. En inderdaad, als iemand gelukkige minuten componeerde, dan wel Vermeulen in deze passages. Tegenover die lyriek staat het geweld van koper en slagwerk. Steeds weer raken de gelukkige ogenblikken beklemd, climaxen zetten echter niet door, wat een enigszins hijgerig effect veroorzaakt. Maar wanneer dat in de coda uiteindelijk wel gebeurt, is het resultaat ook verpletterend, een delirium.

De volledige tekst van Baudelaire's gedicht Le balcon kwam gisteravond tevens aan bod in het kamermuzikale voorprogramma, een liedzetting uit 1944. Daar werd men niet dronken van, het is eerder ingetogen dan vervoerende muziek. Christa Pfeiler zong dan ook onpathetisch en daarmee wel degelijk idiomatisch. Jeugdig elan bracht het cello-pianoduo Quirine Viersen-Silke Avenhaus in de formidabele, haast angstaanjagende Tweede cellosonate (1927-1937). In de finale wisselen de bas van de piano en de cello twaalftoonsreeksen uit, terwijl in hetzelfde deel C-groot klinkt. Tonaliteit en a-tonaliteit zijn nauwelijks te scheiden en ook dat is weer typerend voor Vermeulen.

Tot de ook door tegenstanders erkende hoogtepunten in Vermeulens oeuvre hoort het oorlogslied La veille (de nachtwake) op een tekst van François Porché uit 1917, nu uitgevoerd in de orkestrale versie uit 1932. Hebe Dijkstra demonstreerde - alweer ingetogen - een fraai alttimbre, maar kwam aan intensiteit te kort om zich steeds boven het orkest uit te kunnen handhaven. Evenals Le balcon is dit lied syllabisch om aan het eind melismatisch los te branden. Het herinnert aan Debussy's Noël des enfants qui n'ont plus de maisons op een eigen tekst uit 1915. Daar hebben oorlogskinderen geen dak meer boven het hoofd, bij Vermeulen worden voorgevoelens verklankt over vaders die achterblijven op het slagveld, uitmondend in een extatisch 'Adieu, l'heure a sonné', het uur van de waarheid heeft geklonken. Ik prefereer de originele pianoversie, waarin de grimmige secundes veel dissonanter klinken dan in het wel heel ruim bemeten orkest.

Grimmig was zeker Bernd Alois Zimmermanns Sinfonie in einen Satz, als aanklacht tegen de oorlog een goed gekozen vervolg op La veille. Tevens onderstreepten Haenchen en de zijnen er de verschillen mee. Zimmermann componeert angsten uit zoals gebruikelijk in de Schönberg-school, grimmig en radeloos. Maar Vermeulens visionair expressionisme kan zijn Debussy-afkomst niet verloochenen. Gisteren overheerste voor mij de zware en zoetmakende geur van de avond, om met Baudelaire te spreken, een 'chaude soirée'.