Gekunstelde Bowie met junglemanie

Concert: David Bowie (zang, gitaar, sax) met Reeves Gabrels (gitaar), Gail Ann Dorsey (bas, toetsen, zang), Zachary Alford (drums) en Mike Garson (toetsen). Gehoord: 10/6 Paradiso, Amsterdam. Herhaling: 11/6 Vredenburg, Utrecht.

Drie woorden heb ik er voor: gekunsteld, pompeus en stuurloos. Waarom moet David Bowie zo nodig in Paradiso optreden, als hij niets anders te bieden heeft dan zijn stadionshow op volle licht- en geluidssterkte? De vijftigjarige popveteraan walste de oververhitte rocktempel gisteren plat met een botte karikatuur van de muziek die hem groot heeft gemaakt. De grootste klucht is nog wel dat hij zichzelf voor de zoveelste keer opnieuw heeft uitgevonden, dit keer als een hippe drum 'n' bass-artiest. Je hoeft hem maar stijf te zien dansen om te bedenken dat zijn opportunisme nu wel erg potsierlijke vormen heeft aangenomen.

De drie kwartier voor de pauze stonden in het teken van Bowie's nieuwe jungle-manie, zoals die doorschemerde op zijn laatste cd Earthling. Met zijn band van hoogbegaafde techneuten speelde hij geen drum'n'bass, maar hooguit een waterige vorm van ambient techno die zo bol stond van trommelvliesgevaarlijke computerkunstjes dat de aanwezigheid van vier druk doende instrumentalisten de ware housemuzikant een lachstuip zou bezorgen. Bowie honkte wat op zijn saxofoon, voorzag zijn oude nummer V2 Schneider van een bonkend elektronisch marsritme en liet bassiste Gail Ann Dorsey uitgerekend de gesampelde stemmen uit Laurie Andersons O Superman ter plekke inzingen.

David Bowie is niet geïnteresseerd in het herkauwen van het verleden, verklaarde hij voordat hij begon aan de tournee waarbij hij afwisselend sporthallen, rockclubs en festivals bespeelt. Des te opvallender was het, dat hij toch weer zo'n royale greep deed uit het oude materiaal, zij het in drastische herbewerkingen als de onmogelijke dubreggaeversie van The Man Who Sold The World, het in beton gegoten boem-klapritme van Under Pressure en de akoestische blues 'geschreven voor Big Bill Broonzy in 1942' die vooraf ging aan een betrekkelijk ongeschonden The Jean Genie. Bowie wil veertien artiesten tegelijk zijn, van Jacques Brel tot The Prodigy. Twintig jaar geleden kwam hij weg met drastische stijlwijzigingen omdat de muziek steeds weer verrassend uit de bus kwam, maar nu lijkt hij in zijn eigen staart te bijten.

Na zijn mislukte avontuur met de rockgroep Tin Machine mocht alleen gitarist Reeves Gabrels aanblijven. Het is moeilijk te begrijpen waarom Bowie zo dweept met deze herrieschopper, want in Gabrels quasi-experimentele spel met vage verwijzingen naar de 'Frippertronics' van zijn voorganger Robert Fripp is alles samengebald wat er ooit lelijk was aan gierend en jammerend gitaarspel. De in essentie funky dansnummers Fashion en Fame werden door de per koptelefoon bij het samenspel betrokken gitarist dichtgeplamuurd tot een onbeweeglijke dreun, terwijl hij het ooit zo subtiele Stay liet verdrinken in onpersoonlijke computerklanken.

Er waren zeldzame briljante momenten in het akoestische intro van Quicksand dat met groot effect werd overgenomen door de hele band, en in de zonder opsmuk gespeelde rocker Queen Bitch. Beide nummers stammen van de elpee Hunky Dory uit 1971, lang voordat er per se een krampachtige dansbeat onder moest zitten. Ze deden mij verlangen naar een écht club-optreden van een ongekunstelde David Bowie, ontdaan van alle oorverdovende middelen die hij in Paradiso met zich mee torste.