De herder en zijn paradijs

Als we 's avonds op het erf bij het schijnsel van de petroleumlamp aan tafel zitten, verschijnt het hoofd van Vieux boven de omheining. Het is het begin van een ritueel dat zich iedere avond herhaalt. “Kasumai”, roept de buurman als eerste. Ik weet inmiddels hoe je deze groet in zijn geboortetaal beantwoordt. “Kasumai kep”, roep ik als een papegaai.

Vieux is een Diola, een stam uit het tropische zuiden van Senegal, de Casamance. Zijn huid heeft de indigo-kleur van de tropennacht. In zijn gezicht twinkelen het wit van zijn ogen en zijn tanden. Vieux kan lezen noch schrijven, maar Frans spreken doet hij vloeiend. Zodra hij zich van deze taal bedient, begint hij met een stentor-stem te praten. Zelfs vragen stelt hij op een commandotoon waardoor de conversatie met hem al snel een humoristische kwaliteit krijgt. Vieux opent het gesprek steevast met dezelfde zinsnede. “Geef me een cadeau!”, zegt hij in een denderend staccato. “Nee”, roep ik op dezelfde toon naar de buurman. “Waarom niet”, zegt hij op beveltoon. “Morgen”, bas ik terug.

Vieux maakt zich nu op voor de volgende fase. Hij kijkt lang en nadrukkelijk naar de dingen die bij ons op tafel staan. In ons luxueuze consumptiepatroon heeft hij al snel de lijn ontdekt. Vieux heeft zich daarop afgestemd. Als hij zich vroeg in de avond meldt, gaat zijn verlangen uit naar suiker - een duur artikel dat hier per ons wordt verkocht - aangelengd met een slootje koffie. De koffie is hem nog niet aangeboden of hij steekt een beroete steelpan van royaal formaat over de omheining. Afrikanen hebben de plicht om voor hun familie te zorgen en Vieux heeft heel wat mondjes te voeden.

Vlak achter de omheining staat het kale, lemen huis waarin zijn kinderen liggen te slapen. Op zijn erf is het aardedonker, evenals elders in het dorp. Elektriciteit is er niet. Zijn vrouw heeft emmers water geput voor de volgende ochtend en zit nu onder haar waslijntje in het zand naast een invalide jongen van een jaar of zeventien die bij het gezin inwoont. De koffie-aanvoer zorgt voor een verzetje. De stemmen achter de omheining worden vrolijker. Het praten klinkt als zingen. Als het hoofd van Vieux op een later tijdstip opdoemt, is het hem om bier te doen. Soms komt hij het in zijn blauwe overall bij ons aan tafel opdrinken. Vieux mag animist zijn, zijn kijk op het leven is realistisch. Hoe hij na zijn dood op aarde zou willen terugkeren? Als een vogel? “Welnee!”, onderbreekt hij ons gezwets. Als hij al wil terugkeren is het als toubab, als zo'n rijke witman uit het westen dus. Met een paar pijpjes onder de arm keert Vieux terug naar zijn vrouw die ook van bier houdt.

Tegen tienen 's avonds staken de stemmen. In de verte hoor je een baby huilen of het geweeklaag van vrouwen. Mogelijk wordt er een kind geboren of is er een kind aan het sterven. Je hoort de roep van een nachtvogel. Het door merg en been gaande gebalk van de ene na de andere ezel. Het gerinkel van een pan die van de laatste etensresten wordt ontdaan door een rondscharrelend zwijntje. Het geritsel in de struiken neemt toe. De reuzenleguaan is aan zijn jacht op kippen en kuikens begonnen.

Vieux en zijn vrouw zijn 's morgens om zes uur weer op pad. Ze leggen de kilometerslange tocht naar hun werkgevers te voet af. Zij werkt op de rijstvelden. Vieux hoedt de kudde van een rijke Senegalees. De herder trekt met de witte karbouwen door het paradijselijke landschap met de witte reigers, ooievaars, overvliegende pelikanen, wouden met palmen, kapok- en apenbroodbomen, acacia's en mangroven. Als de door de Casamance reizende toeristen op Vieux en zijn kudde stuiten, pakken ze hun camera's om het archaïsche tafereel te vereeuwigen. Het romantische beeld wordt altijd weer verstoord door de persoon van de herder die onverhoeds achter de koeien vandaan springt en naar de toubabs roept: “Geef mij een cadeau!”

Tegen de avond keert Vieux terug naar het dorp, dat aan de rand van de regionale hoofdstad Ziguinchor ligt. Weer zien we zijn gezicht boven de omheining verschijnen. En weer zegt hij op beveltoon: “Geef mij een cadeau.” Zijn wensen zijn bescheiden. Ik geef hem de batterijen waarom hij gevraagd heeft. Hij lacht. Eindelijk komt er weer muziek uit zijn transistor-radiootje. Die avond steekt Vieux zijn hand nog een keer over de omheining. Hij houdt een paar bosjes rijst vast als een geschenk aan de toubabs.