Afscheid van een charmant monument

Tentoonstelling: Een blijvend monument: 75 jaar Museum Kam, 1922-1997. Provinciaal Museum G.M. Kam, Museum Kamstraat 45, Nijmegen. T/m 21/9. Geopend di t/m vrij 10-17u; za en zo 13-17u. Publicatie: Een prachtvol exemplaar; 75 jaar Museum G.M. Kam (Louis Swinkels red.), 63 pag. ƒ 15,00.

Het Museum Kam in Nijmegen huisvest een archeologische collectie in een speciaal daarvoor ontworpen museumgebouw. Binnenkort komt aan dit charmante ensemble een einde. In het nieuwe museum Het Valkhof, dat de komende jaren naar ontwerp van Ben van Berkel wordt gebouwd en begin 1999 wordt geopend, zal de archeologische collectie worden verenigd met de verzameling van het stedelijk museum Commanderie van Sint-Jan. Bij het afscheid van het oude gebouw, dat samenvalt met het 75-jarig bestaan ervan, organiseert het museum een kleine tentoonstelling met een terugblik op zijn stichter en zijn geschiedenis. En voor het laatst zijn topstukken uit de collectie te zien in hun vertrouwde omgeving.

De oorsprong van Museum Kam ligt in 1900. Enkele jaren eerder had de teruggetreden zakenman Gerard Marius Kam, die in Rotterdam fortuin had gemaakt in de staal- en ijzerhandel, zich in Nijmegen gevestigd. Het toeval wilde dat de villa die Kam aan de Berg en Dalseweg betrok, dicht lag bij de overblijfselen van toen nog grotendeels onbekende Romeinse begraafplaatsen. Juist in die periode werden bij bouwwerkzaamheden voortdurend potten, scherven, sieraden en andere voorwerpen aangetroffen. Uit liefhebberij begon Kam dergelijke vondsten te verzamelen en richtte hij het koetshuis achter zijn villa in als particulier museum voor de snel groeiende collectie. Een ruimte in de expositie toont een reconstructie van die opstelling. De voorwerpen zijn rijendik opgetast, naar vorm en formaat gerangschikt op schappen aan de wanden.

Deze privé-verzameling vormde de basis voor het latere museum. Steeds bleef daarin materiaal uit de Romeinse tijd, grotendeels in en om Nijmegen opgegraven, centraal staan. De collectie werd aanzienlijk uitgebreid, waarbij het niet bleef bij het aardewerk waaruit Kams verzameling voor het grootste deel bestond. Enkele kostbare stukken die werden verworven - en die ook nu op de tentoonstelling zijn te zien - zijn een bronzen portretmasker van keizer Trajanus (98-117), een zeldzame groen-geglazuurde beker met reliëfs van strijdende gladiatoren uit de tweede eeuw, en de 'kantharos van Stevensweert' - een rijkbewerkte zilveren drinkbeker die waarschijnlijk in de eerste eeuw in Alexandrië is gemaakt.

In 1919 gaf Kam opdracht voor de bouw van het huidige museum. Het gebouw werd ontworpen door Oscar Leeuw, die de toentertijd moderne baksteen-architectuur combineerde met toepasselijke historiserende stijlelementen. De gevel van het museum doet denken aan Romeinse poortgebouwen en heeft op de beide hoektorens grote reliëfs naar het voorbeeld van antieke munten. Het interieur is geïnspireerd op Romeinse atriumhuizen, zoals die bijvoorbeeld uit Pompeï bekend zijn. Rond een centrale hal met bovenlicht zijn de andere ruimtes gegroepeerd. Ook de detaillering, met pilasters in klassieke ordes en de geometrische patronen van zwarte banden op de grijze terrazzo-vloer, verwijzen naar de architectuur van de oudheid.

De inrichting van het nieuwe museum, dat in 1922 werd geopend, week aanvankelijk niet veel af van de opstelling in Kams koetshuis. Zonder enige selectie werden alle voorwerpen geëxposeerd, in metershoge vitrines die alle wanden van de zalen bedekten. Nadere toelichting ontbrak en ook een depot was er niet. Op de tentoonstelling is een van de zalen weer in de oorspronkelijke staat teruggebracht. Het is een indrukwekkende maar eentonige opstelling, die op de moderne bezoeker gedateerd overkomt.

Maar ook in de jaren twintig was een dergelijke opstelling al achterhaald. De erfenis van Kams ouderwetse museale opvattingen is voor het museum altijd problematisch gebleven. Weliswaar is in de loop der jaren het getoonde aandeel van de collectie steeds verder teruggebracht. Maar tegelijkertijd bleef de verzameling groeien, waardoor het gebrek aan depotruimte steeds nijpender werd. Ook het organiseren van tijdelijke exposities, waarvoor in Kams optiek geen plaats was, leverde problemen op. Pas na de verhuizing naar het nieuwe Museum Het Valkhof zullen deze moeilijkheden definitief tot het verleden behoren.

Het oude museumgebouw en de collectie hebben 75 jaar lang een historisch interessant geheel gevormd, waarin de wat naïeve opvattingen van een waarachtig liefhebber tot uiting komen. Daarom is het jammer dat dit samenspel wordt opgeheven door de verhuizing. Maar het gebouw zal deel blijven uitmaken van het museum. Niet alleen gaat het als depot fungeren, maar ook wordt er het 'Gelders archeologisch studiecentrum G.M. Kam' gevestigd. Belangstellenden, zoals amateur-archeologen, studenten en scholieren, kunnen er voorwerpen bestuderen en de bibliotheek raadplegen. Zo is Oscar Leeuws gebouw toch, zoals de op het eerste gezicht tegenstrijdige titel van de tentoonstelling luidt, een blijvend monument.