Voskuil misbruikt zijn schrijftalent

De romans uit de zevendelige cyclus Het Bureau van J.J. Voskuil vormen in werkelijkheid een autobiografische en getrouwe beschrijving van het wel en wee op het KNAW-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, het huidige P.J. Meertens Instituut. Het boek bevat minutieuze beschrijvingen van dialogen en gesprekjes uit het dagelijkse werkzame leven.

“Niet één scène is verzonnen, elke beweging is gezien en voor de informatie die ik bied sta ik garant”, zegt de auteur in een vraaggesprek in NRC Handelsblad (1 maart, 1996). Inmiddels zijn veel lovende woorden Voskuil ten deel gevallen en recent werd deel III van de serie, Plankton, genomineerd voor de Libris-prijs. Het Bureau begint nu al de status te krijgen van een literaire sensatie.

Toch is er een aantal kanttekeningen te plaatsen bij dit onverwachte succes. De romans zijn voor een deel geschreven uit rancune en zelfverheldering. Daarmee heeft hij de wetenschappelijke wereld, zijn instituut, zijn vakgebied en zijn voormalige medewerkers voorop, geen diensten bewezen. Afgezien daarvan ben ik van mening dat Voskuil met zijn zelfanalyse ook een morele grens heeft overschreden. Hij heeft namelijk het klimaat van vertrouwen geschonden dat collega's op de werkvloer van elkaar mogen verwachten. Dit brengt mij op de vraag naar de ethische aspecten van deze literaire onderneming.

Op precieze en beeldende wijze, als zou het gaan om de etnografische beschrijving van een kleine volksstam, zet Voskuil in zijn romans zichzelf en zijn medewerkers neer als een stelletje ongeïnspireerde, wezensvreemde, principiële en vooral ambitieloze kantoorklerken. Goedbetaalde medewerkers die lijken te zijn geselecteerd op hun onmogelijkheid om met mensen om te gaan. Het liefst gaan zij elke verantwoordelijkheid uit de weg, nieuwe initiatieven worden geschuwd en elke inhoudelijke discussie wordt doodgeslagen. Het schrijven van wetenschappelijke artikelen is uit den boze, dat is een zaak van ijdeltuiten die zo nodig moeten scoren. En als men moest publiceren, dan alleen in het 'huisorgaan' van het P.J. Meertens Instituut, het Volkskundig Bulletin, een tijdschrift waar niemand prestige aan kan ontlenen. Daarmee heeft Voskuil met zijn romans een bom gelegd onder zijn instituut en het vakgebied.

De auteur is geen willekeurige voorbijganger. Néén, 'mijnheer Voskuil' vormde jarenlang een autoriteit op zijn vakgebied, de verpersoonlijking van de volkskunde in Nederland. Het feit dat Voskuil uit principe niet wilde promoveren omdat, in de woorden van zijn alter ego Maarten Koning, “wat je te vertellen hebt ook wel zonder proefschrift kunt zeggen”, was een eigenaardige bijkomstigheid van deze erudiete persoonlijkheid.

Hoe kan iemand verwachten dat zijn wetenschappelijke artikelen, recensies en bijdragen in zijn discipline nog serieus worden genomen, als blijkt dat ze zijn geschreven door een persoon die zegt zijn eigen vak, zichzelf en zijn medewerkers niet serieus te willen nemen? Is het geoorloofd, ook twintig jaar na datum, je medewerkers, het instituut en de collega's zo voor schut te zetten?

De beschrijving door Voskuil van zijn werk, het instituut, de werkzaamheden en zijn medewerkers, geeft vandaag de dag ook wel te denken. In deze “uithoek zonder wetenschappelijke pretentie” hield men zich jarenlang bezig met het vastleggen van kabouterverhalen, de ophanging van de nageboorte van het paard, de verspreiding van de kerstboom, de schommelwieg of de trouwring. Dit alles met het oog op het hogere doel; het reconstrueren van oude cultuurgebieden en cultuurgrenzen.

Een grote bezem door dit stoffige nest van fanatieke dierenbeschermers en principiële scherpslijpers, zal de huidige lezer denken. Maar is dit geschetste beeld reëel? Neen, immers we krijgen een verwrongen beeld gepresenteerd van een instituut en een vakgebied uit de jaren zeventig. Deze karikatuur krijgen we niet eenmaal, maar keer op keer, in fraaie bewoordingen en meer dan 2.000 pagina's lang, opgediend.

Inmiddels gaat het in de volkskunde allang niet meer om het in kaart brengen van de geografische verspreiding van culturele verschijnselen. Sinds de jaren zeventig heeft binnen het vakgebied een heroriëntatie plaatsgevonden, er zijn nieuwe mensen benoemd en na Voskuils afscheid in 1987 zijn de deuren wijd open gezet. Diverse medewerkers zijn inmiddels op volkskundige onderwerpen gepromoveerd en trachten het vakgebied verder te ontwikkelen. Van al deze ontwikkelingen blijft de lezer onkundig, maar het door Voskuil geschetste tijdsbeeld is wel funest voor de huidige beeldvorming. Geen wetenschappelijke discussie kan daar tegen op.

De huidige en voormalige medewerkers van het P.J. Meertens Instituut kunnen Voskuil wel schieten. Elk half jaar kunnen zij in de romans vernemen wie nu weer op de korrel wordt genomen, waarbij Voskuil zichzelf en zijn echtgenote ook niet ontziet. Voor ingewijden valt het niet moeilijk de romanpersonages te herleiden tot de werkelijke figuren. Je zult maar lezen dat je “een verschrikkelijk slap gezicht hebt”, dat je de kantjes ervan afloopt of al weer simuleert. En dan te bedenken dat zijn vroegere medewerkers hem meermalen persoonlijk hebben gevraagd of hij later ook over hen zou gaan schrijven. “Daar hoef je niet bang voor te zijn”, meldde Maarten Koning c.q. Voskuil terloops, “daar zijn jullie te onbelangrijk voor”.

Kan een persoon, die meer dan dertig jaar aan het hoofd heeft gestaan van een afdeling zijn eigen levenswerk, zijn directe medewerkers, zijn echtgenote en zijn vrienden zo te kakken zetten? In het reeds genoemde vraaggesprek verwerpt Voskuil deze suggestie als niet ter zake doende. De huidige directeur van het P.J. Meertens Instituut, J. van Marle, noemde in Vrij Nederland van 23 november 1996 de exercitie van Voskuil uit moreel oogpunt ronduit verwerpelijk. In zijn ogen kunnen de romans worden gezien als “een persoonlijke afrekening, een therapeutische onderneming over de ruggen van anderen”. In NRC Handelsblad van 16 mei staat dat Van Marle het aangetaste prestige en vertrouwen in zijn Instituut aan wil grijpen voor een reorganisatie. De opheffing van de Afdeling Volkskunde wordt overwogen.

Is dit de wraak van Voskuil en hebben zijn romans ongewilde aanleiding gegeven tot een grondige schoonmaak, twintig jaar nadien? Het lijkt er veel op. Afgezien daarvan, wie neemt nog überhaupt het wetenschappelijke werk van Voskuil serieus? Met zijn abrupte vertrek heeft hij letterlijk en figuurlijk de pijp aan Maarten gegeven. Voskuil had beter zijn vermogen tot precieze observaties, zijn schrijftalent en zijn werkdrift kunnen aanwenden tot het schrijven van lezenswaardige en interessante boeken over oude gewoonten en gebruiken. Of zou dit, vanuit wetenschappelijk oogpunt, een te ambitieuze onderneming zijn geweest?