Spycatcher

Het is tekenend voor het postmoderne politieke klimaat dat de nieuwe gelegenheidsalliantie van de Partij van de Arbeid met de Binnenlandse Veiligheidsdienst in het geheel geen opzien heeft gebaard. Zelfs in Vischjagers The Daily Invisible heeft het geen symbolisch protest uitgelokt. Toch zou daar een gegronde reden voor zijn geweest.

In geval van 'ernstige twijfel' schakelt de PvdA de BVD in om de politieke achtergronden van kandidaat-vertegenwoordigers na te trekken ('screenen'). De directeur van het partijbureau van de PvdA, V. Verhoeven, heeft dat op 2 juni tegenover een verslaggever van NRC Handelsblad bevestigd. Hij accentueerde dat de PvdA alleen “informele kanalen” aanspreekt, om de indruk weg te nemen dat de partij commerciële opdrachten aan de BVD zou verstrekken. De PvdA denkt blijkbaar dat een informeel antecedentenonderzoek minder zwaar klinkt en dus minder erg is dan een officieel onderzoek.

Het is nog niet zo heel lang geleden dat het begrip 'antecedentenonderzoek' voor de PvdA, en nog meer voor de CPN en de PSP - die er in de jaren 1948-1968 bij uitstek onder geleden hebben - een van de meest gehate activiteiten van de BVD dekte. Zo'n antecedentenonderzoek, dat voortvloeide uit een in 1951 tegen de communisten gericht, maar ook op sociaal-democraten toegepast verbod op ambtelijke functies, hield in dat de BVD de doopceel lichtte van sollicitanten, zonder dat die zelf inzage kregen in de ingewonnen informatie. Duizenden 'onbetrouwbare' sollicitanten zijn langs die weg afgewezen, zonder opgaaf van reden en zonder recht op verweer.

Het is ook nog niet zo heel lang geleden dat de BVD, op zoek naar verstekelingen 'in dienst van Moskou', de politieke vergadercircuits afstruinde en de universiteiten en het linkse actiewezen infiltreerde om 'de vijanden van de staat' tot in de uithoeken van de samenleving in de gaten te houden. Er zijn niet veel linkse studenten uit de jaren zestig die geen wachtdienst hebben moeten lopen of onder ledikanten hebben moeten kijken om snuffelaars van de BVD op te sporen.

Intussen zijn de tijden zo veranderd dat de vijanden van weleer elkaar niet langer ontlopen, maar elkaar zelfs tot steun zijn geworden. “Het komt weinig voor” (V. Verhoeven), maar als de nood aan de man is weten ze elkaar te vinden. Gelukkig wezen de in hetzelfde verslag geciteerde woordvoerders van de VVD, D66 en het CDA bemoeiing van de BVD met hun selectieprocedure ten sterkste af. Ze gaven daarmee blijk van een hygiënisch politiek besef dat bij de PvdA kennelijk verloren is gegaan.

Dat komt ervan als opportunisme voor principe gaat. Nog maar vijftien jaar geleden hoefde iemand met een onduidelijke achtergrond het niet te proberen op een kandidatenlijst van de PvdA te komen. De selectie van kandidaten voor vertegenwoordigende organen steunde toen op een zorgvuldige procedure waarbij de eigen sociale controle in 'screening' voorzag. Kandidaten die niet in de organisatie omhoog waren gekomen en hun 'politieke betrouwbaarheid' in afdelingen en gewesten bewezen hadden, maakten meestal geen schijn van kans. Dat proces van natuurlijke rijping heeft de PvdA tot haar schade en schande verlaten.

De aanleiding die de PvdA dwong haar betrekkingen met de BVD publiekelijk toe te geven was een miskoop, waarmee ze duur leergeld heeft betaald: een Beverwijks gemeenteraadslid van Turkse afkomst werd beschuldigd van het onderhouden van banden met de nationaal-Turkse organisatie Grijze Wolven. Navraag bij de BVD leerde dat de beschuldiging ongegrond was, maar het verdachte gemeenteraadslid werd wel verteld dat de PvdA onderzoek naar zijn verleden had laten doen. Door het incident in paniek geraakt en zich het alarmsignaal van de Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt herinnerend die in 1993 de gemeentepolitiek voor infiltratiepogingen van een Turks-Nederlands heroïnesyndicaat waarschuwde, had de PvdA in Beverwijk 'het zekere voor het onzekere' genomen en de BVD ingeschakeld.

Ik zou gedacht hebben dat juist de Partij van de Arbeid niet bij het eerste het beste incident haar hoofd zou verliezen. Ze heeft al jaren een electoraat waarin de kiezers van uitheemse oorsprong ruim vertegenwoordigd zijn en het ligt in de rede dat die allochtone factor zich weerspiegelt in de vertegenwoordigende organen van de partij. De PvdA heeft zelfs de langste 'allochtone ervaring' van alle politieke partijen. Zij telde al onder haar kandidaten bij de Kamerverkiezingen van 1946 twee figuren van Indonesische herkomst, van wie er een werd gekozen. De Indonesiër L.N(ico) Palar zat twee jaar in de Tweede Kamer en in het partijbestuur, tot de militaire acties in Indonesië begonnen en Palar, uit protest tegen het Nederlandse optreden, in 1947 met de PvdA en Nederland brak.

Vanaf zijn benoeming tot Kamerlid was de Indonesiër, die voor een versnelde dekolonisatie was, het doelwit van een door de Binnenlandse Veiligheidsdienst geregisseerde lastercampagne. In de zomer van 1947 culmineerde die in de beschuldiging (in een uitgelekt geheim rapport) van spionage. Het 'Indonesisch lid van de PvdA' (zoals hij zichzelf omschreef) had volgens de Nederlandse inlichtingendienst in opdracht van de Sovjet-ambassade in Den Haag een reis naar Indonesië gemaakt om een verbinding tot stand te brengen tussen Sjahrir en de Sovjet-Unie.

De beschuldiging werd nooit bewezen en moest, na aandringen van Palars fractievoorzitter Van der Goes van Naters, worden ingetrokken. Maar de verdachtmaking bleef hangen en de PvdA had haar eerste ervaring opgedaan met de ongrijpbare politieke interventies van de BVD. Er zouden nog vele ongrijpbare interventies volgen, waarvan vooral de communisten en wat later de pacifisten het slachtoffer zouden worden.