Relatie Indonesië en VS op nieuw dieptepunt

Het afbestellen door Indonesië van negen F-16 gevechtsvliegtuigen betekent dat de vriendschappelijke betrekkingen tussen de VS en Indonesië een dieptepunt hebben bereikt.

JAKARTA, 10 JUNI. Geen nieuwe oorlogsvliegtuigen en beëindiging van het trainingsprogramma voor hogere legerofficieren, zo luidde de boodschap van een brief van president Soeharto vorige week maandag aan zijn Amerikaanse ambtgenoot Bill Clinton. De Indonesische minister van Buitenlandse Zaken, Ali Alatas, legde vrijdag tijdens een persconferentie uit dat Soeharto met zijn brief slechts “struikelblokken wil wegnemen die betere betrekkingen tussen Washington en Jakarta in de weg staan of die de regering-Clinton problemen kunnen bezorgen”. Toch betekent het afbestellen van negen F-16 gevechtsvliegtuigen en het afzien van het Amerikaans militaire trainingsprogramma ter waarde van 600.000 dollar op zijn minst dat de betrekkingen tussen de VS en Indonesië een nieuw dieptepunt hebben bereikt.

Het Amerikaanse State Departement heeft vlak voor en na de verkiezingen van 29 mei kritiek geuit op Jakarta. In een verklaring aan de pers constateert de Amerikaanse regering dat de parlementsverkiezingen in Indonesië “strak gecontroleerd zijn door de regering” en dat het verkiezingssysteem “politieke competitie ernstig beperkt”. “Indonesische burgers hebben niet de mogelijkheid van regering te veranderen met democratische middelen.”

Volgens Alatas was deze kritiek niet de aanleiding voor het opzeggen van de militaire hulp en het afbestellen van de oorlogsvliegtuigen. De brief van Soeharto zou gedateerd zijn op 26 mei, drie dagen vóór de verkiezingen, en om “technische redenen” pas op 2 juni zijn verzonden. Alatas stelde dat de maatregel van Jakarta een reactie was op de scherpe kritiek vanuit het Amerikaanse Congres op het Indonesische mensenrechtenbeleid, speciaal met betrekking tot de voormalige Portugese kolonie Oost-Timor die in 1975 de 27ste republiek van Indonesie werd.

Alatas doelde met name op het Democratische Congreslid Patrick Kennedy, die dit voorjaar een wet indiende met als strekking de stopzetting van militaire en economische steun aan Indonesië. Deze economische steun bedraagt vijftig miljoen dollar per jaar. Toen afgelopen maart Amerikaanse bedrijven bezorgd waren dat Kennedy ook handelssancties tegen Indonesië wilde afkondigen, verklaarde een woordvoerder van het Congreslid dat daarvan geen sprake is: “We willen Indonesië alleen de boodschap doorgeven dat het land moet ophouden met het schenden van mensenrechten.”

In Jakarta werden deze week direct parallellen getrokken tussen de nieuwste diplomatieke botsing met de VS en het opzeggen van de ontwikkelingsrelatie met Nederland in 1992. Dat gebeurde toen PvdA-minister Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) de Nederlandse steun opschortte, nadat het Indonesische leger in de Oosttimorese hoofdstad Dili in november 1991 het vuur had geopend op een menigte demonstranten, waarbij ten minste vijftig doden vielen.

Alatas zag maar één overeenkomst: “En dat is dat wij consistent zijn als het gaat om problemen met vrienden: we proberen dan altijd deze problemen weg te nemen.” Nog een andere overeenkomst is echter dat in beide gevallen de irritatie van Jakarta werd gewekt door een buitenland dat zich met de portemonnee in de hand mengde in wat wordt beschouwd als “interne aangelegenheden.”

In het geval van de botsing met Nederland kwam daar bij dat de Indonesische regering extra gevoelig was voor kritiek afkomstig van de voormalige koloniale overheerser. Het grote verschil tussen beide incidenten is uiteraard dat Jakarta zich dit keer verzet tegen de wereldmacht die de regering-Soeharto door de jaren heen heeft gesteund. De reacties in Jakarta deze week hebben vooral betrekking op dat aspect: de stap van de president wordt toegejuicht als een versterking van de nationale soevereiniteit tegenover de arrogantie van een supermacht. “Laat het Amerikaanse Congres niet denken dat we van Amerika afhankelijk zijn en dat we zonder hen in elkaar zouden storten”, verklaarde de voorzitter van de parlementscommissie voor Buitenlandse Zaken, Aisyah Amini, gisteren in de Jakarta Post.

Washington heeft zeker drie keer eerder zijn afkeuring over mensenrechtenschendingen in Indonesië kenbaar gemaakt door de verkoop van oorlogvliegtuigen of wapenleveranties op te schorten. Dit is echter de eerste keer dat Indonesië terugslaat en dat kan in verband worden gebracht met het einde van de leenheer-vazalrelatie tussen de VS en Indonesië gedurende de Koude Oorlog. Afgelopen januari voorzag Dewi Fortuna Anwar, een vooraanstaand lid van het Indonesische Instituut voor Wetenschappen, dat de regering-Clinton niet zou meewerken aan de pogingen van Indonesië om de kwestie Oost-Timor van de agenda te krijgen in de Verenigde Naties. Anwar wees erop dat Washington gedurende de Koude Oorlog het anti-communistische regime in Jakarta nauwelijks lastig viel over Oost-Timor. Anwar: “Oost-Timor wordt gezien als een 'ondemocratisch' probleem van Indonesië, en Clinton kan het anti-communistische excuus om dit te vergoeilijken niet meer gebruiken.”