Rattle: exotisch repertoire

Concert: The Orchestra of the Enlightenment o.l.v. Sir Simon Ratle. Gehoord: 9/6 Concertgebouw Amsterdam.

Wereldberoemde 'authentieke' dirigenten, zoals Nikolaus Harnoncourt, Frans Brüggen en Ton Koopman, staan nogal eens voor een wereldberoemd 'gewoon' orkest. Wereldberoemde 'gewone' dirigenten staan uiterst zelden voor een 'authentiek' orkest. Maar gisteren werd de serie 'Wereldberoemde barokorkesten' in het Amsterdamse Concertgebouw afgesloten door het Orchestra of the Enlightenment, gedirigeerd door Sir Simon Rattle, die vier jaar geleden ook al eens in ons land optrad met dit orkest.

Even ongewoon als de verschijning van Rattle voor zo'n orkest was deels het repertoire: de 'Tiende symfonie' van Schubert, de Eroïca van Beethoven en - als toegift - een deel uit Strawinsky's Apollon Musagète (1928). De neo-klassieke Strawinsky stond pas ook al op het repertoire van het Orkest van de Achttiende Eeuw. Zo worden de 'gewone' orkesten nog eens door de 'authentieke' historie gedwongen zich toe te leggen op de eigentijdse muziek!

De 'Tiende symfonie' van Schubert, door Brian Newbould geconstrueerd op basis van schetsen uit Schuberts sterfjaar 1828, is een apocrief werk. Er zijn meer van zulke voltooide exoten: de Tiende van Mahler (waarvan diverse versies bestaan) en de Tiende van Beethoven. We hebben van Beethoven ook nog de Elfde (door de componist doorgestraald naar Rosemary Brown) en het 'Zesde pianoconcert' (een pianoversie van het Vioolconcert). Van Brahms is er nog de 'Vijfde symfonie' (Schönbergs orkestratie van het Eerste pianokwartet). Bij de cd-afdeling van V&D in Amsterdam-Noord zag ik eens een vakje voor het Tweede vioolconcert van Beethoven - terecht uitverkocht en helaas nooit meer aangevuld.

De originele muziek van Schuberts 'Tiende' is nog veel onvoltooider dan zijn Unvollendete. Het eerste deel is slappe Beethoven, het tweede deel is verdunde Mozart en het derde deel is waterige Beethoven.

Misschien kwam dat ook omdat Rattle niet écht geïnteresseerd lijkt in de specifieke mogelijkheden en kwaliteiten van zo'n 'authentiek' orkest. Hij dirigeerde het vooral alsof het een gewoon orkest was en streefde naar iets groots waarvoor hem hier de middelen ontbraken. Rattle veroorzaakte daarmee voortdurend problemen voor de blazers met hun 'authentieke', onvolkomen instrumenten, zodat de uitvoering hoogst ongemakkelijk klonk.

In Beethovens Eroïca ging dat allemaal veel beter. Vooral de 'Marcia funebre' kreeg een indrukwekkende vertolking en voor het overige klonk na de 'Schubert' die geen Schubert was, deze Beethoven tenminste als echte Beethoven.