Noren in Nederland; De Hollendertiden

De Noren staan er over het algemeen goed op in Nederland: sympathieke schaatsers, Nobelprijs voor de Vrede, Oslo-akkoorden. Dat is niet altijd zo geweest. In vroeger eeuwen hadden Nederlanders een negatieve kijk op de Noren, als we tenminste afgaan op oude spreekwoorden en gezegdes.

Het driedelige Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal van P.I. Harrebomée, dat tussen 1858 en 1870 verscheen, geeft daar tal van voorbeelden van. Hij kijkt als een bok in Noorwegen (iemand die een toonbeeld van norsheid is); hij bromt als een Noorsche beer; de duivel voere hem naar Noorwegen; men zou eerder met een lekke schuit naar Noorwegen varen; Noorwegen zit in de lucht (voor storm en regen). Ook citeert hij een uit het midden van de zeventiende eeuw daterend versje over de Noorse havenstad Bergen:

Bergen in Noorwegen

Selden dagh sonder regen.

Lange nacht, groote vorst.

Vele drincken zonder dorst.

Sware arbeit weynigh loon.

Die hebben in Bergen de grootste Kroon.

De citaten mogen een beetje zuur klinken, ze maken duidelijk dat Noren en Nederlanders geen onbekenden voor elkaar waren. In de Gouden Eeuw was er zelfs intensief contact tussen Nederland en vooral de zuidpunt van Noorwegen. Zo intensief dat de periode van circa 1640 tot 1740 in dat gebied nog altijd wordt omschreven als de 'Hollendertiden'.

S⊘lvi Sogner, hoogleraar aan de Universiteit van Oslo, houdt zich al jaren bezig met de historische en demografische relaties tussen Nederland en Noorwegen. “Ik had in de jaren zeventig een student die research deed naar Noren die naar Nederland waren gegaan. Ik raakte geïntrigeerd door het onderwerp. Toen ik in de jaren tachtig een 'sabbatical' had, heb ik me er verder in verdiept.” Inmiddels heeft ze tal van artikelen en een boek (Ung i Europa) gepubliceerd over de migratie van Noren naar Nederland.

De eerste serieuze handelscontacten begonnen omstreeks 1500, toen Nederlandse handelslieden hout kwamen kopen in Noorwegen. Dat was in de tijd dat de zaagmolen op waterkracht in gebruik werd genomen. In de Gouden Eeuw voeren honderden Nederlandse schepen op Zuid-Noorse steden als Lister, Mandal, Naversund en Stavanger met producten als koren, zout, kaas, textiel, meubels, bier, brandewijn, specerijen, tabak en Goudse pijpen om vervolgens hout mee terug te nemen, bestemd voor de bouw van schepen of als palen voor stadsuitbreidingen. Amsterdam is gebouwd op een onderaards Noors bos, schreef een Noorse reiziger in 1671.

“Noorwegen telde in die tijd een half miljoen inwoners en was veel minder ontwikkeld dan Nederland dat toen een grote mogendheid in Europa was”, aldus Sogner. Door de intensieve contacten met Nederland en de snelle uitbreiding van de Nederlandse vloot trokken steeds meer Noorse zeelieden naar Holland. “De Noorse vloot stelde toen nog niet zoveel voor. Wij hadden veel aspirant-zeelieden die werk zochten. In het begin van de zeventiende eeuw werden nog voornamelijk zeelieden met ervaring gezocht, maar later kon men bijna iedereen gebruiken. In 1701 is in de regio Stavanger een volkstelling gehouden, omdat de koning het aantal weerbare mannen wilde weten. Boerderij voor boerderij werd vastgesteld hoeveel mannen er waren. Op de lijsten die bewaard zijn gebleven lees je vaak: absent in Holland.”

Informatiebronnen waren verder de ondertrouwregisters van de gemeente Amsterdam en de gegevens van de Lutherse kerk in Amsterdam. Daaruit blijkt dat omstreeks 1620 zo'n 25 Noren per jaar in de hoofdstad in het huwelijk traden. Omstreeks 1640 was dat aantal gestegen tot 125. Na Denemarken, waarmee Noorwegen tussen 1380 en 1814 verenigd was, is Nederland het Europese land dat de meeste Noorse migranten heeft getrokken. Ook veel Noorse vrouwen emigreerden in die jaren naar Nederland. De arbeidsmarkt was voor hen aantrekkelijk. Volgens een brief van een Noors meisje uit 1742 kon je in Amsterdam wel 120 gulden per jaar verdienen. Dat was overdreven, maar het vormt een indicatie voor de aantrekkingskracht die de stad in die tijd genoot. De meeste Noorse meisjes kwamen in de huishouding, maar er waren ook Noorse schoenmaaksters, strijksters, diamantbewerksters, touwslagers en prostituees.

Amsterdam was ook een goede huwelijksmarkt voor de Noren: “Noorse meisjes trouwden meestal met iemand uit Scandinavië, maar niet met iemand uit hun eigen regio. Duitse mannen kwamen op de tweede plaats. Huwelijken met Nederlandse mannen kwamen relatief weinig voor. Noorse mannen trouwden wel vaak met Nederlandse meisjes. Dat betekent dat Noorse mannen aantrekkelijk waren door hun sociale status. Ze stonden bekend als goede zeelieden, hoewel ze aan boord niet tot de hoogste rang konden opklimmen. Die bleef voorbehouden aan de Hollanders.” Noorse mannen waren beter opgeleid dan Noorse vrouwen. Op Amsterdamse ondertrouwaktes is te zien hoe de meeste Noorse mannen een handtekening hebben gezet, terwijl de vrouwen vaak met een kruisje volstonden.

Sogner: “Ik heb veel steun gehad van professor Sjoerd Faber van de Vrije Universiteit die onderzoek heeft gedaan naar de uitspraken van de Amsterdamse rechtbanken in de zeventiende eeuw. Bij die uitspraken werden veelal de beroepen van de betrokkenen gemeld.” Uit de gegevens van Faber kan ook worden opgemaakt dat er nauwelijks een taalbarrière bestond tussen Noren en Nederlanders. In de verslagen van rechtszittingen waarbij Noren waren betrokken (in totaal 140 tussen 1680 en 1800, negentig mannen en vijftig vrouwen) wordt nooit melding gemaakt van tolken. Omgekeerd is ook een geval bekend van een rechtszitting in Noorwegen waarbij Nederlandse zeelieden betrokken waren die schipbreuk hadden geleden. Daarbij wordt vermeld dat de Nederlanders geen moeite hadden het gesproken Noors te verstaan.

Dertig tot veertig procent van de Noorse woordenschat heeft het zogeheten Plattdeutsch als herkomst, een taal waarmee je je tussen Winterswijk en Berlijn nog altijd verstaanbaar kunt maken. In Zuid-Noorwegen worden nog woorden gebruikt die waarschijnlijk rechtstreeks op het Nederlands teruggaan: flenje voor een soort pannenkoek; allgodt voor zeker; slingerasje voor een schip dat heen en weer zwaait; en nog steeds populair is de s⊘sterkake, vermoedelijk cake uit Soest.