Meevaller is tegenvaller

De beste vriend van de belastingbetalers woont in Den Haag. Zijn naam is Gerrit Zalm. Tijdens de eerste jaren van zijn bewind heeft de minister van Financiën indruk gemaakt door tamelijk goed op de winkel van de rijksoverheid te passen. Mede dankzij de stevige economische rugwind wisten de meeste collega-bewindslieden hun uitgaven beneden bij de kabinetsformatie vastgelegde plafonds te houden.

De tot nu toe betrachte begrotingsdiscipline maakte het mogelijk voor lastenverlichting ongeveer twee miljard gulden méér uit te trekken, dan de negen miljard waarin het regeerakkoord al voorziet. Ook het tekort van de collectieve sector daalde de afgelopen jaren sneller dan eerder was afgesproken.

Het glanzende optreden van de nationale schatkistbewaarder heeft geleid tot jammerklachten uit de hoek van de gemeenten. Zij dekken ongeveer een derde van hun uitgaven met een 'algemene' uitkering uit het Gemeentefonds. Dit jaar vloeit uit die bron twintig miljard gulden naar de gemeenten. Anders dan bij specifieke uitkeringen, zoals voor de bijstand, is geld uit het Gemeentefonds niet geoormerkt voor een bepaald doel. Het kan samen met de opbrengst van de gemeentelijke belastingen in beginsel worden gebruikt voor zaken waaraan de gemeenteraad de hoogste prioriteit toekent.

Door de jaren heen vormde het Gemeentefonds voor veel direct betrokkenen een giftige twistappel. De verdeling van de beschikbare twintig miljard over de ongeveer 550 gemeenten geeft onvermijdelijk scheve ogen. Het is net als op een kinderpartijtje waar de jarige de taart mag aansnijden. Bijna alle gasten vinden hun eigen part te klein in vergelijking met wat anderen toebedeeld krijgen. De gemeenterijen sluiten zich echter als een stormvloedkering bij een andere permanente steen des aanstoots: de vraag hoeveel geld de rijksoverheid jaarlijks in het Gemeentefonds moet storten. Hier hebben de onderling kissebissende gemeenten uiteraard een gezamenlijk belang. Hoe meer de rijksoverheid in het fonds stort, hoe meer er te verdelen valt.

De afgelopen decennia hebben de centrale overheid en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over de voeding van het Gemeentefonds heel wat robbertjes met elkaar gevochten. In de periode 1984-1995 gold een broos compromis, dat was vastgelegd in een heus 'bestuursakkoord'. Destijds gold voor de voeding van het fonds een complexe formule. Gemeenten kregen van het Rijk de loon- en prijsstijging volledig vergoed. Zij konden verder rekenen op een reële groei van de pot met 1 procent per jaar. Anderzijds moesten zij evenredig meedelen in ombuigingen, in jaren waarin de economie tegenzat. Liepen de rijksuitgaven uit de hand, zonder dat de ministerraad het eens kon worden over compenserende bezuinigingen, dan mocht ook het Gemeentefonds extra groeien.

Bij de laatste kabinetsformatie is een nieuwe formule afgesproken, die met ingang van 1995 van kracht is. Sindsdien loopt de voeding van het Gemeentefonds in de pas met de totale netto-uitgaven op de rijksbegroting. Bepaalde uitgaven van het Rijk blijven hierbij buiten beschouwing, zoals de rente op de staatsschuld en betalingen aan het buitenland, dus afdrachten aan Brussel en uitgaven voor ontwikkelingshulp.

Aanvankelijk feliciteerden de gemeenten elkaar met dit onderhandelingsresultaat. Zij dachten de buit binnen te hebben. Stegen de netto uitgaven van het Rijk méér dan was voorzien, en dat was tot voor kort regel, dan zouden gemeenten profiteren, doordat het Rijk alsnog extra geld in het Gemeentefonds moest storten. Als gevolg van het succesvolle budgettaire beleid van Zalm keert de gemaakte afspraak zich echter tegen de gemeenten. Meevallers bij het Rijk (lagere uitgaven) leiden tot kortingen op de storting in het Gemeentefonds, en monden zodoende uit in tegenvallers voor de gemeenten. Die raken fors in de problemen, omdat de verlaging van de algemene uitkering uit het fonds eerst tijdens de uitvoering van de gemeentebegroting bekend wordt. Dan blijft onvoldoende tijd over om de tering alsnog naar de nering te zetten. Gemeenten verlangen daarom vooraf zekerheid over het bedrag dat zij uit het fonds tegemoet kunnen zien.

Om de gemeenten tegemoet te komen, heeft het kabinet de laatste korting van 230 miljoen gulden volledig geschrapt. Daarnaast willen de meest betrokken ministers een 'behoedzaamheidsreserve' van een half miljard gulden vormen. Die is bedoeld als buffer bij nieuwe meevallers op de rijksbegroting. Vorige week sprak de Tweede Kamer over de aangekondigde plannen. De volksvertegenwoordigers hadden er weinig goede woorden voor over. Sommigen willen liever een vast groeipercentage voor de rijksbijdrage aan het Gemeentefonds, anderen geven de voorkeur aan een schommelfonds, waardoor grote plussen en minnen bij de stroom rijksmiddelen worden vermeden.

De komende maanden praat de beste vriend van de belastingbetalers verder met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De lokale overheden mogen bij het komende overleg met Zalm wel goed op hun tellen passen. Bij het overleg over de rijksbegroting voor het verkiezingsjaar 1998 heeft de minister van Financiën de teugels laten vieren. De komende jaren zullen de rijksuitgaven hoogstwaarschijnlijk extra stijgen.

Volgens de huidige spelregels zouden de gemeenten rechtstreeks meeprofiteren, doordat ook de bijdrage aan het Gemeentefonds dan flink toeneemt. Door nu aan de spelregels te morrelen, vissen de gemeenten mogelijk achter dat net. In plaats van meevallers, worden hogere rijksuitgaven dan tegenvallers voor de gemeenten.