Landbouwdebat is volstrekt openbaar

Niet het landbouwbeleid, maar productieverhoging heeft de grootste milieuschade veroorzaakt, meent Albert Vermuë.

Onder de kop 'failliet landbouwbeleid Europa definitief bewezen' betogen professor J.Kol en drs.B.Kuijpers in NRC Handelsblad van 30 mei dat er in het Europees landbouwbeleid misstanden bestaan die de huidige problemen met de varkenspest nog doen verbleken. Volgens hen blijft het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ernstig in gebreke wat betreft de voorlichting aan het parlement en het publiek.

Kol en Kuijpers stellen dat uit onderzoek is gebleken dat het landbouwbeleid veel geld kost! Ze reageren daarbij alsof ze een belangrijke nieuwe ontdekking hebben gedaan. Alsof niemand zich zou realiseren dat met het beleid een herverdeling plaatsvindt van consumenten en belastingbetalers naar producenten van landbouwprodukten. Dat daarover al boekenkasten vol zijn geschreven, onder meer over de vraag hoe deze kosten moeten worden berekend, ontgaat hun blijkbaar. Evenals het feit dat herverdeling van inkomen heel vaak het gevolg is van overheidsbeleid. Overheidsbeleid dat de resultante is van politieke keuzen.

Ze verwijzen naar een voor Duitsland verrichte studie waaruit blijkt dat de liberalisering van het Europese landbouwbeleid zou leiden tot een extra economische groei van 3 procent en een daling van de werkloosheid met 4 procent. Voor de Europese Unie als geheel zou dat neerkomen op 2 à 4 miljoen extra banen. Tegen de achtergrond van 15 miljoen werklozen in de Unie, is dat geen onbelangrijk gegeven, zo doceren ze.

Hadden we dat maar eerder geweten! Hebben we net met veel pijn en moeite de nationale economie van allerlei economische rigiditeiten ontdaan. Zijn we schoorvoetend op weg naar meer flexibiliteit in de arbeidsmarkt, hetgeen soms met een pijnlijke afbouw van zekerheden en rechten voor werknemers gepaard is gegaan. Hebben we volgens eigen inzichten net een mooie economische groei van zo'n 3 procent bereikt, waarbij de banengroei de werkloosheid op een enigszins aanvaardbaar niveau houdt. En juist nadat deze resultaten met veel geploeter zijn bereikt, leren de hooggeleerde medewerkers van de Erasmus Universiteit ons dat dit alles evengoed met een liberalisering van het landbouwbeleid bereikt had kunnen worden.

Voor Nederland mag de boodschap van Kol en Kuijpers aan de late kant zijn. Maar het kan de onderzoekers toch niet zijn ontgaan dat voor Frankrijk en Duitsland deze boodschap welhaast een godsgeschenk moet zijn. Op het gebied van economische groei en vermindering van de werkloosheid moet in deze landen nog wel het een en ander gebeuren voor ze probleemloos de Economische en Monetaire Unie kunnen betreden. Wat een uitkomst, deze nieuwe kennis! Niks geen gesjoemel met het waarderen van de goudvoorraad of het privatiseren van overheidsbedrijven. Met het 'plan Kol' draait de economie weldra op topcapaciteit. Drie procent extra groei doet de problemen verdwijnen als sneeuw voor de zon, op voorwaarde dat we van het verfoeide landbouwbeleid af geraken.

Geloof t u het?

Ook het milieu vaart wel bij afschaffing van het Europees landbouwbeleid, zo gaan Kol en Kuijpers verder. Landschapsschoon verdwijnt, milieubederf wordt aangemoedigd. Ook hier bedienen de heren zich van hun bekende techniek. Men poneert een stelling die een kern van waarheid bezit. Vervolgens wordt de conclusie getrokken dat om het probleem op te lossen het Europees landbouwbeleid moet worden afgeschaft en worden voor het gemak alle bestaande problemen aan dat beleid toegeschreven.

Op zichzelf is het correct om te stellen dat het Europees beleid tot een zekere intensivering van de landbouwproduktie heeft geleid, en op die manier tot een aantasting van het milieu. Maar dat is maar een zeer beperkt deel van het verhaal. Illustratief is dat de landbouwsectoren die de meeste milieuproblemen kennen, de intensieve veehouderij (mest en ammoniak) en de tuinbouw (gebruik van pesticiden), niet of nauwelijks door het Europees landbouwbeleid beïnvloed worden. De sectoren voor wie wel een uitgebreid, beschermend Europees beleid bestaat, de akkerbouw (granen) en de melkveehouderij, kenmerken zich daarentegen juist door een relatief schone productie in vergelijking met de eerder genoemde sectoren.

De conclusie kan geen andere zijn dan dat er tal van andere factoren zijn die de milieubelasting van de landbouw bepalen, naast het Europees landbouwbeleid. Een vrij eenzijdig op productieverhoging gerichte technische ontwikkeling en het ontbreken van een kostenpost (dus feitelijk het ontbreken van milieubeleid) bij het aantasten van het milieu, zijn daarvan de belangrijkste. Het is dan ook volstrekt onterecht, zoals Kol en Kuijpers doen, om de blijkbaar per jaar 1 miljard bedragende milieuschade van de landbouw, geheel toe te schrijven aan het Europees landbouwbeleid.

Laat ik kort proberen uit te leggen wat de kern van het landbouwbeleid is. Het aanbod van landbouwproducten groeit door een snelle technologishe ontwikkeling zeer snel. Maar de vraag naar landbouwproducten is, zeker in de westeres wereld, tamelijk constant. De menselijke maag is nu eenmaal beperkt en de bevolking in dit deel van de wereld groeit nauwelijks. Het gevolg is een vrijwel permanente druk op de prijzen van landbouwprodukten. In reële termen, dus rekening houdend met inflatie, daalden de landbouwprijzen de laatste 25 jaar met ongeveer 2,5 procent per jaar. Iedereen die wel eens produkten direct van de boer betrekt, zal dit beamen. Eieren of een liter melk kosten hem of haar in de guldens van vandaag nog ongeveer even veel als twintig jaar geleden in de guldens van toen. De vruchten van de technologische ontwikkelingen worden zo aan de consument doorgegeven in de vorm van lagere prijzen. Landbouwers reageerden op de prijsdruk door schaalvergroting. Gezonde bedrijven groeiden, veel kleine bedrijven legden het loodje en stapten uit de sector. Nog steeds daalt het aantal landbouwers met 2 procent per jaar.

Omdat het aanpassen van de bedrijven in de landbouw niet altijd even gemakkelijk gaat en veelal leidt tot lage inkomens, voeren veel regeringen in westerse landen een inkomensbeleid voor de landbouw. In Europa heeft men lange tijd geprobeerd dit vooral via een prijsbeleid te doen. De overheid beïnvloedde het prijsniveau van landbouwproducten zodanig, dat de producenten een redelijk inkomen konden verdienen.

Dit beleid heeft tot de nodige problemen geleid. Overschotten en onbeheersbare budgetten zijn daarvan de bekendste voorbeelden. Ook de trend naar het verder liberaliseren van de handel in landbouwproducten, zet een prijsbeleid onder druk. Zo'n beleid gaat immers automatisch gepaard met een zekere marktafscherming. Vandaar dat tegenwoordig meer gebruik wordt gemaakt van directe betalingen. Eigenlijk wordt nog alleen voor rundvlees, suiker en melk een echt prijsbeleid gevoerd.

Ook op het gebruik van directe betalingen is kritiek mogelijk, natuurlijk vanwege het beslag op de overheidsmiddelen en tegenwoordig ook vanwege de opvatting dat de overheid zich minder direct met de productie van goederen moet bemoeien. De overheid zou zich moeten beperken tot het stellen van randvoorwaarden waarbinnen de productie gedijen kan. Feitelijk is er een doorlopend debat over de vraag waar het evenwicht in de landbouw moet liggen tussen marktwerking en overheidsingrijpen.

Dergelijke discussies spelen zich in alle openheid af. Veelal ook in het parlement, in weerwil van wat Kol en Kuijpers beweren. Maar wie de argumenten tegen het beleid leest, verbaast zich eigenlijk al nauwelijks meer over het feit dat deze heren lukraak beschuldigingen uiten, zonder het te onderbouwen.