Eimert van Middelkoop (GPV): gemiste kansen in Maastricht en Amsterdam; 'De Unie zal vastlopen op verouderde idealen'

Kamerlid Eimert van Middelkoop (GPV) wordt alom erkend als een van de beste kenners van het 'dossier-Europa'. Een gesprek met een tegengeluid.

DEN HAAG, 10 JUNI. Nooit beslissend, maar altijd de moeite waard zijn de “antifederalistische” vertogen die hij namens een hollands-reformatorische tweemansfractie richt tot de regering en de collega's. In het restaurant van de Tweede Kamer zit de 48-jarige GPV'er Eimert van Middelkoop, sinds 1989 lid van de Tweede Kamer. Op de achtergrond rinkelen kopjes. Dat zorgt af en toe voor een extra frons.

“Ik wil eens een keer gezegd hebben dat het Verdrag van Maastricht vele malen belangrijker en ingrijpender was dan het Verdrag van Amsterdam ooit zal kunnen zijn. De klus die Lubbers, Van den Broek en Dankert in 1991 moesten klaren was onvergelijkelijk veel moeilijker dan wat Kok, Van Mierlo en staatssecretaris Patijn nu moeten doen”, zegt Van Middelkoop. “In Maastricht hebben we een Muntunie gekregen, die was er niet, een Europese Unie gekregen, die was er niet, én een uitbreiding met twee pijlers, een voor het Europese buitenlands beleid (GBVB) en een voor de samenwerking op het gebied van Binnenlandse Zaken en Justitie (JuBi). Het Verdrag van Amsterdam berust op weinig meer dan een agenda-afspraak uit Maastricht. Namelijk: ga over een paar jaar nog eens om de tafel zitten en kijk of je een paar stappen verder kunt. Op het punt van de besluitvorming bijvoorbeeld. Dat zijn de 'evolutieve clausules' geworden in het Verdrag van Maastricht, die de eigenlijk vrij dunne agenda van Amsterdam bepalen. Want waar gaat het in feite nog om? Het echt spannende debat in Europa gaat over de EMU, en dat valt nog buiten het Verdrag van Amsterdam ook.”

Was dat destijds niet een knappe list van Lubbers, problemen oplossen door ze in de tijd te verschuiven?

“Wat ik jammer vind is - misschien is dat wel lubberiaans - dat men nog zo vastzit aan de agenda van Maastricht. Na Maastricht had men, met het oog op de komende uitbreiding van de Unie, de kans moeten benutten om het hele pakket aan verdragen niet alleen technisch te herzien. Men had zich ook moeten bevrijden van de oorspronkelijke federale idealen, die nog altijd de dynamo van de integratie vormen. Je ziet dat de concepten, de idealen - ook al mag je sommige niet meer hardop als zodanig benoemen - nog altijd die van het Europa van de Zes uit de jaren vijftig zijn.

“Een eigen identiteit van Europa als een zelfstandig doel, dat was misschien in die tijd nog een begrijpelijke ambitie, zij het dat het politiek natuurlijk snel mislukte en vooral economisch werd. Maar in een Europa van twintig of meer landen, dat eraan komt, vind ik dat je de samenwerking moet ontdoen van die oude idealen én je instituties moet aanpassen. Dat vind ik de gemiste kans van Maastricht en dus ook van Amsterdam. De Unie gaat op de oude gebaande paden verder en zal daardoor vastlopen. Omdat men nu aan beleidsterreinen gaat raken die Europa's diversiteit uitmaken, waar iedereen altijd zo romantisch over spreekt.

“Het economische, de interne markt, die natuurlijk nog altijd de bulk van de Europese samenwerking is, laat zich makkelijk harmoniseren. Maar je raakt aan verschillende rechtsculturen, denk aan het debat over drugs, waarover heel uiteenlopende opvattingen bestaan. Nederland voert een gedoogbeleid, dat begint bij hulpverlening en komt pas daarna bij het strafrecht uit. Frankrijk begint bij repressie en komt soms aan hulpverlening niet meer toe.”

De Europese burger wil daarover toch één beleid, bijvoorbeeld tegen de grote criminaliteit? Maakt u hier niet juist van dat probleem úw oplossing omdat ú tegen verdere integratie bent?

“Indien men Europa ook op politiek gebied in supranationaal vaarwater wil brengen, dan gaat het wringen. Wat erger is: bij zo'n communautarisering worden beslissingen genomen waarvan vele burgers tegen de achtergrond van hun eigen rechtscultuur niets begrijpen.”

Toen de Tweede Wereldoorlog nog maar kort voorbij was en de Koude Oorlog woedde, was politieke integratie van de Bondsrepubliek in het Europa van de Zes een topprioriteit. In 1991, in Maastricht, was de Duitse eenwording net achter de rug, waardoor voor alle anderen en voor Kohl, de noodzaak van een sterke Duitse integratie in een sterker geïntegreerd Europa als het ware een acute impuls kreeg. Pas in 1993 wees het Duitse Constitutionele Hof zijn 'antifederalistische', de nationale soevereiniteit benadrukkende arrest.

Gaat u niet erg hard. Kon men in Maastricht wèl zo kritisch omgaan met het oude federalisme, en met Kohl, die dat woord toen nog voorin de mond had?

“De politieke elite werd in 1991 nog altijd beheerst door argumenten en idealen die samenhingen met het Europa-concept uit de jaren vijftig. Dat gold voor het Nederlandse voorzitterschap ook. Ik heb de regering destijds verweten dat zij met de rug naar de toekomst had onderhandeld. Ik begreep wel dat je Maastricht toen niet makkelijk had kunnen uitstellen om tijd voor bezinning op een ander Europa te nemen, hoewel de NAVO daarvoor wèl tijd nam. Wat ik jammer vind is dat Maastricht óók verder de agenda bleef bepalen. Dat ontnam mensen de creativiteit om eens over andere oplossingen na te denken. In die zin waardeer ik Bolkestein, die wèl probeert om de Europese samenwerking te ontdoen van haar achterhaalde idealen.

U pleit eigenlijk voor Europa als een goedlopende douane-unie, waarin hier en daar ook nog wel een beetje aan politieke samenwerking wordt gedaan. Is zoiets genoeg om, zeg, Duitsland enthousiast te houden voor zijn politieke integratie?“We moeten niet doen alsof het economische het enige integratiekader is. We hebben ook de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en vooral de NAVO. Het risico van Duitse avonturen wordt bovendien overdreven, de Bondsrepubliek is al bijna een halve eeuw een stabiele democratie.

“Wat is voor de stabiliteit van Europa en de integratie van Duitsland belangrijker? Dat je een soort federaal kader ontwikkelt waarbinnen Duitsland even relatief machtig en groot blijft als het is, maar waarin de Europese staten dicht op elkaars huid zitten? Of dat ze wat meer autonomie van elkaar respecteren? Duitsland zou als Europese integrator nooit worden aanvaard. Wanneer je elkaar al te dicht op de huid gaat zitten, binnen één geheel met dat dan nog altijd even grote Duitsland, kan zoiets juist meer spanningen oproepen, ook tussen Frankrijk en Duitsland. Hun traditionele spanning gaat terug tot Karel de Grote en de deling van zijn rijk. Dat los je niet op door die landen in een hecht kader met elkaar te verbinden en te ontkennen dat die spanning er is. Dat kon zelfs gevaarlijker zijn dan wanneer ze op enige afstand goede buren zijn. Ik ben er in elk geval tegen almaar onkritisch te roepen dat méér integratie automatisch méér stabiliteit zal opleveren.”

U staat in het Europese debat als een vegetariër met een biefstuk. U bent als GPV'er principieel afwijzend tegenover de Europese integratie, maar u bent ook een geïnteresseerd en gewaardeerd deelnemer aan het debat daarover.

“Dat wij tot de Eurosceptici behoren weet iedereen. Ik verbaas me er ook wel eens over dat zo'n kleine politieke groepering als de onze altijd zoveel belangstelling heeft gehad voor buitenlandse politiek en voor Europa in het bijzonder. Als GPV'er sta ik in een traditie die bij Augustinus begint en waarvan de kern scepsis tegen machtssamenballing is. Dat geldt ook tegenover Europa en verklaart waarom ik het federalisme wantrouw.

“Daar hoort voor ons het besef bij van de historische continuïteit van volken, staten en naties. Ik vergelijk de oorspronkelijke Europese ambities wel met de Doorbraakgedachte na de Tweede Wereldoorlog. Toen was er ook zo'n moment dat iedereen zei: we gaan iets nieuws bouwen, dat verzuilde Nederland moeten we niet terughebben. Dat was nog niet gezegd of de geschiedenis eiste haar recht en het vertrouwde patroon herstelde zich. Die taaie structuren vormen op zichzelf geen norm, maar je dient er wel rekening mee te houden.

“De Europese integratiegeschiedenis vertoont net zo'n beeld. De nationale staat heeft niet alleen overleefd, maar bij zijn uitbouw tot verzorgingsstaat zelfs geprofiteerd van de Europese economische samenwerking. Daarnaast telt het doodgewone nationale zelfrespect mee, dat natuurlijk niet is verdwenen.”

U bent inzake het buitenlands beleid vaak bondgenoot van Bolkesteins VVD-fractie, zij het niet wat de NAVO-uitbreiding betreft, want daar bent u vóór. Bevalt deze liberaal-gereformeerde entente?

“Het GPV profiteert daarvan. Er ligt langzamerhand een aardig setje moties die ik met de VVD'er Weisglas heb ingediend. Die worden dan verworpen, maar dat is voor ons als kleine partij niet erg, daarna gaat het leven verder. Op dit gebied is de Kamer een discussieforum, en niet meer dan dat.

“Bolkestein is al lang op weg naar de volgende verkiezingen, waarbij premier Kok zijn grote tegenspeler is. Volgens mij heeft hij, in wielertermen gezegd, te vroeg gepiekt. Zijn dualistische stijl van opereren, die ik best waardeer, begint zijn uitwerking te verliezen. Kok bouwt rustig als premier aan zijn imago en heeft nog niets hoeven te investeren in extra profielversterking. Ik denk dat Bolkestein het duel met Kok met zweet in de handen tegemoet mag zien.

“Wat Europa betreft staan we niet ver van elkaar. Met de NAVO-uitbreiding is dat anders. Het onbevredigende voor hem is dat hij er niet in is geslaagd ook maar iets van zijn opvattingen te laten doorwerken in het beleid van Van Mierlo, die zich als sympathieke maar zwakke minister niets van hem aantrekt. Het kabinet laat hem praten en gaat gewoon door met het eigen beleid. Bolkestein heeft geen invloed op deze voor hem kennelijk belangrijke punten van beleid, het lijkt er zelfs op dat hij dat niet eens ambieert of de slag niet echt durft aan te gaan. Ik denk dat op dit terrein in de komende maanden nog flink met hem zal worden afgerekend.”