Eerste interland

De eerste interland die ik mocht bekijken, was Nederland-Schotland. Het was in 1938 en wel op 21 mei. Dat laatste heb ik moeten nakijken, maar andere bijzonderheden zitten nog redelijk in het achterhoofd. Het was een zaterdag. Ik was achttien jaar en normaliter speelde Oranje zijn interlands op een zondag, een dag waarop volgens sommige uitleggers van de Heilige Schrift het begrip rustdag tamelijk letterlijk moest worden genomen.

Het wachten was derhalve op een zaterdagse interland. Drie jaar eerder zou een unieke gelegenheid zijn geweest, want toen kwamen de beroemde Engelsen op bezoek, inclusief het goudomrande verdedigingsduo Male-Hapgood. Maar mijn vader achtte mij te jong voor het grote kijkwerk. Dus was het wachten op wat meer leeftijd en een volgende zaterdagse interland. Toen de Schotten kwamen, was het zover. De staanplaats was weliswaar hoog in de tweede ring, het Olympisch Stadion was uitverkocht, wat neerkwam op zo'n vijftigduizend mensen.

Bij ons in de goal stond Adri van Male. Hij was aan zijn negende interland toe, het vuurtorenlicht Mauk Weber aan zijn 25ste. Er waren twee debutanten: Frans van de Veen van Heracles en Bertus de Harder van VUC. Van Heel was aan z'n 62ste interland toe, Wim Anderiesen aan zijn 40ste. Ik miste pijnlijk Bep Bakhuys. Die grandioze middenvoor was een jaartje eerder op de beroepslijst geplaatst en naar het buitenland vertrokken. Daarom niet al te zeer getreurd dachten we Oranje naar een fraaie zege op de sterke Schotten te kunnen schreeuwen, maar hoe schor ik ook thuiskwam, het was niet gelukt. Als knulletje van veertien, vijftien was ik net in een succesperiode van de nationale ploeg gevallen en met hulp van Han Hollanders radiocommentaren had ik eerlijk geloofd dat de 'jongens van Jan de Witt', zoals dat toen heette, vrijwel onverslaanbaar waren. Nou ja, voor honderd procent geloofde je dat misschien niet, maar het was zalig je via die gedachte in slaap te laten wiegen.

Zoals wij allen weten, was het leven toen simpeler dan nu. Aan de einder was er dan wel enig dreigend gerommel (dat uit het oosten kwam), maar het volk als geheel leefde sober en toch met iets van blijmoedigheid voort. Zelfs de werklozen werden aan het voetballen gehouden. Zij speelden in aparte midweekse competities. De Bonte Dinsdagavondtrein, Peter Pech, Buziau en anderen vermaakten ons en 's zondags rolde de voetbal. En de fans hoorden, vaak levenslang, bij die ene club. Fever Pitch, het boek van Nick Hornby, de geboren en getogen Arsenal-aanhanger, verhaalt van zijn adoratie voor die Londense club, al ging die gemengd met haat, met bittere teleurstellingen, met voetbal dat soms het aanzien totaal niet waard was. Mij als supporter verging het niet zo heftig als Hornby, al kwam ik met een platte kop uit het stadion nadat de Schotten met 3-1 hadden gewonnen. Pas vier minuten voor tijd scoorde Leen Vente tegen. Oranje was de mindere, maar je had toen het geldige excuus dat zij de professionals waren en wij de amateurs.

Paul van Vliet heeft eens verteld dat hij op zondagmiddag de Haagse Schenkkade passeerde en een geweldig gejuich bij VUC vernam. “Wie?”, vroeg hij met de handen aan de mond. “Bertus”, kwam het antwoord. Dat moest dus Bertus de Harder zijn. Een vriend van mij met een satanisch trekje in zijn karakter placht een paraplu mee te nemen. Wij kozen dan plaats op de derde rang temidden van supporters van de tegenpartij en juist als die club gevaarlijk in de aanval was, ontvouwde mijn vriend het regenscherm, zodat de 'vijand' bitter weinig kon zien. Het klinkt onnozel om het na zoveel jaar te vertellen en je kon het ook geen half uur of langer volhouden. Maar er is gelachen en met een blauw oog of erger zijn we nooit thuisgekomen.