Derde millennium (1)

Professor Veringa mag mijn ingezonden brief van 13 mei 'schelderig' noemen, maar mijn persoon betichten van een afkeer van met name gepensioneerden, logica en abstractie in zijn reactie van 3 juni kan ik nou ook niet bepaald als sierlijk aanmerken.

In mijn ingezonden brief ben ik wel degeljk ingegaan op het door F. Veringa getelde 'eigentijdse' issue: rang- of hoodtelwoord, nummeren of tellen, in het bijzonder bij de jaaraanduiding. Laat ik het daarom andermaal duidelijk stellen: - het jaar met nummer één (hoofdtelwoord) is het eerste (rangtelwoord) jaar van onze jaartelling, volgens de overlevering van Christus' leven; - als ik aan Christus' geboortejaar het nummer 1 toeken en ik nummer alle volgende jaren tot en met het lopende jaar, elk jaar één hoger, dan heeft het huidige jaar het nummer 1997, d.w.z. dat er nu al 1997 jaren geteld (en genummerd!) zijn waarin Christus geleefd heeft, want volgens de overlevering leeft Christus eeuwig.

Inderdaad is het mogelijk om het verband tussen hoofdtelwoord en rangtelwoord, nummer en aantal minder direct samenhangend te laten zijn; dan is nummer 1 niet de eerste locomotief van de serie, maar bijvoorbeeld nummer 1.700. Als we echter al deze locomotieven gaan tellen dan kennen we impliciet aan nummer 1.700 toch weer het 'telnummer' 1 toe.

Bij de jaartelling is van een ontkoppeling tussen rang- en hoofdtelwoord, tussen nummeren en tellen geen sprake. Ik kan hier een mooie voorstelling van maken: gegeven dat er in elk zakje 100 snoepjes zitten en ik heb het snoepje met nummer 100 in mijn mond, dan heb ik nog geen nieuw zakje geopend. Pas voor nummer 101 gaat het nieuwe snoepzakje feestelijk open!