De heersende groepen

Wij moesten vroeger bij de PSF, de befaamde zevende faculteit van de Universiteit van Amsterdam, altijd hartelijk lachen wanneer weer eens gesproken werd van het 'wetenschappelijk' bureau van de VVD. Wij vonden het zonder meer belachelijk om de partijpolitieke verhandelingen die door de anderhalve man en een paardenkop van dat bureau in Den Haag bij elkaar werden gefantaseerd voor het volk als wetenschap op te dissen.

En die 'wetenschappers' werden, naar ons idee, niet eens betaald voor dat werk, want die hadden natuurlijk allemaal geld van pa en een echte baan was voor hen niet nodig. De VVD kon bij onze rode faculteit weinig goeds doen. Maar de heersende klasse zag op haar beurt ook niet veel in de PSF. Ik weet nog dat toen ik in het leger bij een keuring voor de officiersopleiding meldde dat ik na mijn diensttijd aan de PSF wilde gaan studeren, er ongerust gereageerd werd. “Dat moet ik u ten stelligste afraden”, verklaarde de overste en toen ik mij jaren later als afzwaaiend luitenant inderdaad liet inschrijven bij de befaamde faculteit, werd ik door Hare Majesteit binnen de kortste keren met groot verlof gezonden.

Maar, zult u zeggen, waarom kritiek op de VVD, de PvdA heeft toch ook al heel lang een wetenschappelijk bureau. Inderdaad, maar wanneer men daar met rapporten kwam waren die gebaseerd op objectief wetenschappelijk onderzoek, en indien dat niet zo was werd niet gepretendeerd dat hier sprake was van neutrale wetenschappelijke redeneringen, maar aangegeven dat het om doelgerichte politieke uitspraken ging. De Duitse socioloog Karl Mannheim maakte in dit verband al in 1929 onderscheid tussen ideologie en utopie bij uitspraken in het openbaar politiek debat. Bij utopie moet gedacht worden aan het gegeven dat bepaalde onderliggende groepen intellectueel dermate geïnteresseerd zijn in vernietiging en transformatie van een bestaande maatschappelijke structuur, dat ze onbewust alleen die elementen in de situatie zien die haar ontkennen. Men is nauwelijks geïnteresseerd in wat bestaat en in het denken al bezig met het veranderen van de situatie. Het ideologische gedachtegoed daarentegen hoort bij de heersende groepen. Hun denken is zo sterk verbonden met de bestaande maatschappelijke situatie dat feiten die hun overheersing op een of andere manier ondermijnen hun ontgaan. Dit groepsonderbewustzijn camoufleert als het ware de werkelijke situatie in de samenleving, zowel voor henzelf als voor anderen, en stabiliseert daarmee de bestaande overheersing. Aan dat laatste moest ik denken toen ik een tijdje geleden op de opiniepagina van deze krant een betoog las van de directeur van het 'wetenschappelijk' bureau van de VVD over ruimtelijke ordening in Nederland. Ruimtelijke ordening is een economisch probleem, schrijft hij, want het gaat hier om een schaars goed. Een allocatieprobleem, meent hij, en dat kan dus het beste opgelost worden via het marktmechanisme. En met vlotte zinnen vervangt hij de verzorgingsstaat door een liberale samenleving waarin iedereen gelukkig wordt. De arbeider krijgt 'voor eigen rekening' zijn machine mee naar huis, de kantoorklerk hoeft niet meer naar kantoor, maar mag thuis achter de computer blijven, de boeren gaan met pensioen, want onze aardappelen en sla kunnen we goedkoper in Centraal-Europa halen, de ondernemer produceert in het vervolg daar waar het hem het beste uitkomt, dus meestal niet meer in het vaderland, en iedereen bepaalt helemaal zelf wanneer hij zal werken, rusten of recreëren. En dat alles zonder dat de anders zo bedillerige overheid een vinger hoeft uit te steken. Niks groots ambtelijk plan of uitgewerkte blauwdrukken. Gewoon privatisering en deregulering en verder 'vertrouwen in het creatieve oplossingsvermogen van (groepen van) individuen'. Dat klinkt allemaal prachtig, maar degenen die niet tot die '(groepen van) individuen' behoren gaan gegarandeerd sociaal de mist in. Intussen heeft Frits Bolkestein het artikel van zijn 'wetenschappelijke' directeur nog eens uitgelegd. Weer zo'n mooi verhaal over de wortels van het liberalisme bij grote denkers uit vorige eeuwen en over voorspoed en geluk die ons ten deel zullen vallen wanneer we de markt zijn gang laten gaan.

Wij van de oude PSF horen hier weer 'heersende-klassepraat'. Voor ons van de onderliggende klasse is die vrijheid schone schijn en blijft de bescherming door ruimtelijk ordenende ambtenarij bittere noodzaak.