Commissie bepleit formele erkenning gebarentaal

Telkens moest een adviescommissie uitleggen wat gebarentaal is. Terwijl het er haar alleen maar om ging dat degene die de gebarentaal nodig heeft deze ook kan gebruiken.

AMSTERDAM, 10 JUNI. De Nederlandse gebarentaal moet formeel erkend worden. Wie dat wil moet de taal kunnen gebruiken en op de benodigde voorzieningen kunnen rekenen. Bij het onderwijs aan dove kinderen dient tweetaligheid het uitgangspunt te zijn, waarbij kennis van gebarentaal de basis moet vormen voor het zo goed mogelijk leren van het Nederlands. Er dient geïnvesteerd te worden in onderzoek, opleidingen en leermiddelen. Het is nodig de tolkenvoorzieningen uit te breiden en naast meer ondertiteling zou er een wekelijks televisieprogramma in en over de Nederlandse gebarentaal moeten komen. Cultuuruitingen moeten voor subsidie in aanmerking komen.

Dit zijn hoofdlijnen uit Méér dan een gebaar, een vandaag verschenen advies van de Commissie Nederlandse gebarentaal aan het kabinet. “Voor kinderen die al vóór hun derde verjaardag doof waren, geldt dat gebarentaal de enige taal is die zij op een natuurlijke manier kunnen verwerven”, schrijft de commissie, die onder leiding stond van prof. dr. A.E. Baker, hoogleraar taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam. De commissie werd in 1996 in het leven geroepen door de staatssecretarissen Terpstra (Welzijn) en Netelenbos (Onderwijs).

Uitgangspunt in het rapport is dat ieder mens, horend of doof, recht heeft op het zo vroeg mogelijk leren van een complete taal, omdat taal een cruciale rol speelt in de cognitief-sociale ontwikkeling van kinderen. Formele erkenning van de Nederlandse gebarentaal is daarom volgens de commissie een principiële aangelegenheid.

Dat elke dovengemeenschap haar eigen gebarentaal ontwikkeld heeft en dat die talen stuk voor stuk alle essentiële kenmerken van menselijke taal hebben - alleen het kanaal is een ander, luisteren en spreken worden vervangen door kijken en gebaren - is al tientallen jaren bekend. Heel lang heerste de overtuiging dat het gebruik van gebaren het leren liplezen en spreken, en dus de integratie van doven in de horende maatschappij, in de weg zou staan. Pas sinds kort is tweetaligheid het uitgangspunt bij alle doveninstituten in Nederland, maar nog lang niet alle docenten daar hebben voldoende kennis van de Nederlandse gebarentaal. Medewerkers van doveninstituten dienen volgens de commissie dan ook op korte termijn een intensief nascholingsprogramma te volgen. Dan kan in het dovenonderwijs de Nederlandse gebarentaal consequent als instructietaal gebruikt gaan worden en tegelijk als apart vak in het lesprogramma worden opgenomen.

Integratie van dove leerlingen op gewone scholen is mogelijk vanaf het niveau van de middelbare school, maar dan moeten ze wel recht krijgen op een doventolk. Het aantal tolkuren waarop een dove recht heeft (in onderwijs, op het werk en in de privésfeer), moet volgens de commissie drastisch omhoog. In 2010 moet de huidige capaciteit vertienvoudigd zijn, vindt de commissie. In dat jaar zou ook de gefaseerde invoering van alle voorstellen afgerond moeten zijn.

Sommige aanbevelingen (zoals over meer ondertiteling op televisie, ook door de commerciële) komen ten goede aan alle ongeveer 900.000 Nederlanders met een gehoorbeperking, andere aan kleinere groepen. Zo is het aantal potentiële gebruikers van de Nederlandse gebarentaal volgens een becijfering van de commissie 15.000. De commissie schat dat er in het eerste jaar vijf miljoen gulden nodig is voor het uitvoeren van haar aanbevelingen voor de Nederlandse gebarentaal. Daarbij hoort dan ook de oprichting van een Lexicografisch Instituut - dat bestaande gebaren zal inventariseren en tegelijk voor standaardisatie en ontwikkeling van de gebarenschat kan zorgen - en de instelling van een leerstoel Nederlandse gebarentaal.

Staatssecretaris Nuis (Cultuur) komt pas in september met een reactie op de aanbevelingen over cultuur en de media. Zijn collega Netelenbos wil wel al reageren: “De omvang van de groep gehandicapten zelf vind ik niet relevant. Het is een kwestie van leerrecht en leerplicht. Daar zijn momenteel nogal wat gehandicapte kinderen van verstoken. Dat kan niet.” Over het gevraagde geld laat ze zich niet uit. “Eerst maar eens kijken wat er op dit moment al kan.”

Staatssecretaris Terpstra is optimistisch over de te verwachten effecten van het advies. “Ik ben ook zo blij met het rapport omdat er van alles in staat waar je meteen mee kunt beginnen. We zullen al dingen meenemen op Prinsjesdag, in de actualisatie van De perken te buiten, het meerjarenprogramma voor gehandicaptenbeleid. Kijk, natuurlijk is het makkelijker steun te vinden voor iets waar de halve wereldbevolking van afhankelijk is, maar dit is zó essentieel voor mensen. Ik ben bereid om het gevecht aan te gaan.”