Besnijdenis is in belang van kind

In NRC Handelsblad van 28 april betoogde A.F. Mantel dat de besnijdenis van jonge jongens verboden moet worden omdat het geen gezondheidsvoordeel heeft of therapeutisch doel dient. Op 1 mei reageerden wij daarop met de stelling dat circumcisie slechts geringe risico's heeft, als deze wordt verricht door geschoolde mensen, die goede voorlichting aan ouders of opvoeders geven en voor nazorg zorgen. De ingreep heeft bovendien tot gevolg dat er minder kanker en seksueel overdraagbare aandoeningen voorkomen.

Nu verwijt A.F. Mantel ons (NRC Handelsblad, 13 mei) dat wij geen boodschap aan de Nederlandse wet hebben, omdat bij de besnijdenis van minderjarigen meervoudige wetsovertredingen plaatsvinden. Hij citeert de Grondwet, die de integriteit van het lichaam waarborgt en stelt dat het openbaar ministerie nog niet heeft ontdekt dat joden en moslims die integriteit schenden.

Deze stelling is moeilijk te verdedigen. Verschillende medewerkers van het openbaar ministerie zijn zelf besneden of zijn bij besnijdenissen aanwezig geweest, zonder aanleiding tot vervolging te zien.

Waar het om gaat is hoe de verschillende grondrechten zich tot elkaar verhouden. Wanneer de in de grondwet gegeven godsdienstvrijheid strijdt met het recht op lichamelijke integriteit moet er een afweging worden gemaakt. Nu hierover in de Tweede Kamer nooit is gediscussieerd, kan dat als een vorm van toestemming voor de besnijdenis worden gezien. Niet alle aspecten van menselijke verhoudingen hoeven altijd expliciet te worden uitgesproken.

Waar Mantel verder aan voorbij gaat is dat de klassieke grondrechten subjectieve rechten zijn, die elke burger tegenover de staat heeft en die hem een staatsvrije sfeer waarborgen. In principe zijn deze niet van toepassing op de relaties tussen burgers onderling. Zou dit wel het geval zijn dan zou iedere orthodoxe jood in Nederland op sjabbat vrij moeten kunnen krijgen of geen examens hoeven af te Ieggen. Dat is (helaas) niet het geval.

Het is niet zo dat, zoals Mantel stelt, het grondwetsartikel dat de lichamelijke integriteit van het kind regelt per definitie 'sterker' is dan het recht op godsdienstvrijheid. Ook als we naar de geest van de wet kijken, pleit veel voor het toestaan of gedogen van een besnijdenis. De grootste gemene deler van de grondrechten luidt dat het levensgeluk van de (Westerse) mens zo veel mogelijk beschermd moet worden. Als een kind binnen een traditioneel islamitische of joodse omgeving geboren wordt, mogen ouders gevoeglijk aannemen dat het langdurige (psychische) geluk van het kind, dat zich zonder besnijdenis onprettig zal voelen in de omgeving waarmee het zich identificeert, zal opwegen tegen de kortstondige pijn van de besnijdenis.

Mantel schrijft nog dat een arts pas medisch mag ingrijpen nadat hij de patiënt voorlichting heeft verschaft over de risico's van de ingreep en de patiënt zijn toestemming uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt. Kleine kinderen kunnen dit niet.

Dit is inderdaad een prangende kwestie, maar die begint eerder dan het moment van de besnijdenis. Verantwoordelijke Nederlandse ouders zullen zich - alvorens aan een kind te beginnen - terecht afvragen of ze wel een kind op deze wereld mogen zetten, gezien de overbevolking en milieuvervuiling.

Als toekomstige ouders eenmaal besloten hebben dat het te baren kind geen zelfbeschikkingsrecht heeft over de vraag of het het recht heeft om niet te mogen leven - het wordt willens en wetens op de wereld gezet - laten wij dan niet moeilijk doen over de daarop volgende trauma's, waarvan blijvende schades nog niet bewezen zijn, zoals het zogenaamde besnijdenistrauma. Al dan niet te goeder trouw wordt al zo ontzettend veel door ouders voor het kind bepaald, dat het wat vreemd voorkomt uit al die keuzemogelijkheden nu juist de besnijdenis verheven wordt tot een nationaal juridisch probleem.

Wat betreft het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde willen wij er op wijzen dat besnijdenis een religieuze handeling is en geen uitoefening van de geneeskunde, hoewel er positieve preventieve gevolgen kunnen optreden.

In artikel 19 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind staat dat er maatregelen moeten worden genomen om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, Ietsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie etc. Het is zwaar overdreven om te stellen, dat het wegnemen van een minimaal stukje voorhuid beschouwd moet worden als 'lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik'.