'Vertrek korpschef Brinkman was niet nodig'

ROTTERDAM, 9 JUNI. De Rotterdamse hoofdofficier van justitie, L. de Wit, is van mening dat “een werkrelatie” met korpschef J.W. Brinkman vorige week nog tot de mogelijkheden behoorde. Dat standpunt heeft hij afgelopen donderdag naar voren gebracht tijdens de spoedvergadering van de burgemeesters van de Rijnmondgemeenten, verenigd in het regionaal college, over het functioneren van Brinkman. Dat heeft De Wit desgevraagd bevestigd.

Op aandringen van de hoofdofficier werd in de verklaring van het college die na afloop van de vergadering naar buiten werd gebracht, gesteld dat het vertrouwen in Brinkman “ernstig ondermijnd” was. De Wit stelt vast dat in de media echter de indruk is ontstaan dat het vertrouwen in Brinkman was 'opgezegd'. De Wit: “Voor deze formulering is bewust gekozen. Dat het vertrouwen is ondermijnd, is een hard oordeel. Maar de deur zit daarmee nog niet helemaal dicht. In de media is die nuance verloren gegaan.”

De Wit heeft geen antwoord op de vraag of de media zelf debet zijn aan deze onjuiste weergave, of dat de oorzaak is gelegen in de wijze waarop korpsbeheerder A. Peper en de voormalige bemiddelaars in het conflict bij de Rotterdamse politie, de burgemeesters M. Jansen (Krimpen aan den IJssel) en J. Broekhuis (Spijkenisse), zich na afloop van de vergadering hebben uitgelaten. De Wit: “Dat weet ik niet. Ik ben niet bij alle interviews geweest.” De Wit zegt dat het “op zich juist is, zoals de korpsbeheerder zei, dat de conclusie van de burgemeesters was dat de werkrelatie beëindigd zou moeten worden”. De Wit was het hier echter niet mee eens.

Aanleiding voor het regionaal college, waar De Wit als hoofdofficier deel van uitmaakt, om het functioneren van Brinkman ter discussie te stellen, was diens felle kritiek vorige week maandag op het rapport van burgemeester Peper, dat een einde moest maken aan de crisis bij het politiekorps Rotterdam-Rijnmond. Peper en de andere burgemeesters vatten dit op als een aanval op het bevoegd gezag.

De Wit zegt Brinkmans optreden als “buitengewoon ontactisch” te hebben ervaren. “Het was een slechte woordkeuze, een slechte toon. Dat had hij dus nooit moeten doen. Brinkman begon te spreken toen was gebleken dat er brede steun was voor het rapport. Dan moet je als korpschef je mond houden.”

De Wit is er echter niet van overtuigd dat Brinkman opzettelijk het bevoegd gezag heeft willen ondermijnen. De Wit: “Hij heeft wel een ernstige inschattingsfout gemaakt. Als er sprake is van opzet, moet daar in bestuurlijke termen de doodstraf op staan. Als dat niet het geval is, is er misschien ook een alternatieve sanctie mogelijk. De korpsbeheerder en de burgemeesters reageerden heel resoluut. Ik was op dat moment bereid om de rekening wat minder scherp te doen zijn. Daarbij heb ik ook gelet op de gevolgen voor het korps en de brede, inhoudelijke steun voor Brinkmans plannen in het korps.”

De Wit zegt dat Brinkman hem al op maandagavond heeft laten weten dat hij bereid was Pepers rapport te accepteren. “Na afloop van de vergadering heb ik hem uitgebreid, à deux, op de gang gesproken. Toen heeft hij me gezegd dat hij, alles afwegend, het rapport loyaal zou uitvoeren.”

Volgens De Wit is Brinkman er niet in geslaagd die boodschap helder over te brengen aan Peper en plaatsvervangend korpsbeheerder Jansen. “Als hij een heldere boodschap had afgegeven, dan had hij het nog net kunnen redden op de rand van de afgrond. Maar als je gymnastiekoefeningen gaat doen op de rand van de afgrond, loop je de kans erin te donderen.” Zelf zegt De Wit nooit communicatieproblemen met Brinkman te hebben gehad.

Volgens De Wit is het vrijwel uitgesloten dat Brinkman aanblijft als korpschef. “Die kans is nu wel heel dunnetjes. Gezien de huidige politiek-bestuurlijke werkelijkheid moet er een wonder gebeuren wil Brinkman in functie blijven.”