Markt regeert het Park van de socialistische prestaties

Decennia lang heeft de Sovjet-Unie haar verworvenheden tentoongesteld in een gigantisch park in Moskou. De verworvenheden bleken vals. Maar het park bestaat nog: overgenomen door de markt: het is 'een grote, stinkende bazaar waarin al het mooie wat we hadden is verkwanseld'.

MOSKOU, 9 JUNI. Hier stonden de luidsprekers, en daar, bij het beeld van Lenin, dromden de nieuwsgierige Moskovieten samen. Als een medium dat contact zoekt met het hogere, stond Larisa Timofejevna in haar wijde gewaad op het bordes. “Kameraden kosmonauten”, riep ze in de microfoon. “Horen jullie ons?” Een paar tellen bleef het stil. Olga, een scholiere die in het publiek stond, dacht dat het wel een minuut duurde. Uit de boxen klonk een branding van ruis en af en toe een bliepje uit de ruimte. Net als iedereen hield ze haar adem in, tot er een vervormde, nauwelijks hoorbare stem doorkwam: “De bemanning van de Sojoez-zoveel feliciteert Moskou met de dag van de ruimtevaart.”

Het ritueel, dat zich ieder jaar herhaalde, had plaats bij het paviljoen van de USSR, het met marmeren zuilen en koperen hamers-en-sikkels versierde middelpunt van het VDNH-park: 'de Tentoonstelling van de Verworvenheden van de Volkseconomie', waar de successen van het socialisme geëtaleerd werden. Stalin zelf had bevolen dat dit moeras aan de rand van Moskou ingericht moest worden als een modelstad, waar de homo sovieticus zich alvast in het toekomstige arbeidersparadijs kon wanen.

Als klein meisje aan de hand van haar vader had Larisa Timofejevna zich in het vierhonderd voetbalvelden grote park Alice in Wonderland gevoeld. Ze weet niet meer wat de meeste indruk had gemaakt: het Plein van de Mechanisatie, met de tractoren die in de gevel van een gebouw verwerkt waren, of toch de met bladgoud bewerkte vrouwenbeelden in de fontein van de Vriendschap der Volkeren? Nu Larisa de vijftig nadert, en het paviljoen van de Metallurgie door Philips en de Coca Cola company is overgenomen, voelt ze zich nog steeds thuis in het attractiepark, ook al lijdt het onder een wildgroei van reclameborden. De gevels van de 29 paviljoens, stuk voor stuk architectonische kunstwerken in laat-stalinistische stijl, met een overdaad aan socialistisch-realistische beelden, gaan tegenwoordig schuil achter billboards en vlaggen.

“Het park is een grote, stinkende bazaar geworden”, zegt Olga, de scholiere die inmiddels docente Russisch is aan de Moskouse staatsuniversiteit. “Al het mooie wat we hadden is verkwanseld.” Haar droom, waarin Russische ruimtevaarders haar de grootsheid van haar land lieten zien, is zo ruw verstoord, dat ze het VDNH-terrein niet meer wil betreden. Het steekt haar dat er onder de tientallen meters hoge raket bij het Kosmos-paviljoen een showroom van Cherokee-jeeps is ingericht en dat het ruimtevaartmuseum te huur is voor house parties, gewoon omdat het cool is om te dansen met op de achtergond het opgezette hondje Laika, het eerste wezen dat levend terugkeerde uit de ruimte.

Het ooit zo serene park, dat volgens een fotoboek uit 1954 “de economische en politieke kracht van de USSR weerspiegelt”, is omgetoverd tot een karikatuur van een markt.

Hier sjouwt elke derde bezoeker met een doos van JVC, Daewoo, Grundig, Sanyo. Lenin, uit graniet gehouwen, kijkt toe hoe de gepantserde geldauto's de dagopbrengsten ophalen, slalommend tussen de sjaslikkraampjes. Bij de toegangspoort is een straatje waar je tientallen illegale cd'tjes tegelijk moet beluisteren, of je wil of niet, want elke handelaar wil zijn waar aanprijzen.

In de Sovjet-jaren had Larisa Timofejevna het een voorrecht gevonden om als gids in het park te mogen werken. De tentoonstelling was volgens het fotoboek uit 1954 “een uiting van de diepe vriendschap tussen de Sovjet-volken” en een bewijs voor “de superioriteit van de socialistische landbouw en de constante ontwikkeling van de Sovjet-cultuur”.

Het was Larisa's taak om op alle mogelijke manieren propaganda te maken voor wat het socialisme had bereikt. “Natuurlijk was dat soms lastig. Vooral Westerse bezoekers waren soms sceptisch. Die zeiden: jullie stallen hier uit wat je in de rest van het land niet hebt. Larisa besefte dat het expositieterrein een miniatuur-heilstaat was in een omgeving waar schaarste heerste. Ze had gezongen in een Sovjet-koor, was zelfs dirigente geweest, en had op tournee van Odessa tot Vladivostok gezien hoe hard de werkelijkheid was. Toen ze trouwde en een dochter kreeg, en daardoor minder kon reizen, was ze in 1973 als artieste en gids bij de VDNH gaan werken.

Met evenveel vuur als vroeger vertelt ze dat het park gebouwd was als een staat-in-een-staat, compleet met een kolchoze waar de koeien recordhoeveelheden melk gaven, eigen tuinbouwkassen, een eigen ziekenhuis, kinderopvang, school, politie, alles. Haar dochter Tatjana, die inmiddels 24 is en als pr-dame de sponsors en andere belangstellenden rondleidt, valt haar in de rede: “Veel mensen geloofden erin, voor hen was dit het Vaticaan.”

Tatjana is geboren en getogen in het socialistische utopia. Ze neemt je mee naar het beeld van het kolchozemeisje en de tractormachinist die een hooischelf boven hun hoofd tillen. Ze kent de schare Sovjet-nostalgisten, de mensen als de docente Olga die zeggen: het is een schande dat we dit culturele erfstuk aan het kapitalisme offeren. Maar ze vergeten volgens haar dat er vroeger niets te koop was. “Ik liep me aan alles te vergapen en kon niets kopen. Nu bezit ik alles waar ik vroeger alleen maar van kon dromen.”

Haar moeder Larisa herinnert zich nog haarscherp met wat voor schok de overgang van het socialisme naar het kapitalisme verliep. Van het ene op het andere jaar trok de uiteenvallende Sovjet-Unie haar handen van het VDNH-terrein af. Tot 1989 betaalde de staat alles, van de plantsoenendienst tot het reuzenrad. Larisa werd door haar collega's van het Paviljoen der Cultuur tot chef gekozen, maar ze wist net zo min als de anderen hoe ze geld moest verdienen. “Ik zette mijn tas op tafel en er drupte water in. Het dak lekte, er was geen perspectief”, zegt ze. In het oude fotoboek stond het zo: “Alle problemen van het Iand worden opgelost door de regering en de partij.” Maar die tijd was nu voorgoed voorbij. Overal om haar heen vielen ontslagen, de meeste paviljoens sloten hun deuren voor een verbouwing waar geen einde aan leek te komen, tot er een Westers bedrijf met flitsende, jonge mensen de boel kwam overnemen.

De redding kwam pas op 31 december 1989 om zes uur 's avonds toen Larisa en haar collectief een contract tekenden met het fonds van de Hongaars-Amerikaanse filantroop Soros voor het organiseren van een reeks tentoonstellingen over taboe-onderwerpen: de KGB, kitsch en de smaak van de Russen, de laatste tsaar.

De exposities trokken veel bezoekers, maar waren niet kostendekkend. Voor Larisa kwam de doorbraak pas toen ze sociaal-realistische kunst bijeen had gebracht, die in de eerste post-communistische jaren op grote schaal door verzamelaars werd aangekocht. Nu staat haar bedrijf onder de naam 'Paviljoen Cultuur' geregistreerd als een besloten vennootschap. Als privé-ondernemer zit Larisa Timofejevna nu achter een bureau met een marmeren blad en praat per mobiele telefoon met haar tien personeelsleden. Over krediet, sponsors, marktonderzoek, cursussen, management en 'good business manners'. Zelf is ze sponsor van de olifant Tsjanja van het van het staatscircus afgesplitste Circus Fantastico, dat zijn tent bij het Paviljoen van de Atoomenergie heeft opgeslagen.

Terwijl Larisa de galerij met winkeltjes in haar paviljoen laat zien (met koraal, barnsteen, ivoor van walrustanden en andere dure spullen voor de nieuwe klasse van rijken) zegt ze: “De geschiedenis geeft je maar weinig tijd om je aan te passen.” Ze kent collega's die niet mee konden komen, die met vervroegd pensioen zijn gegaan ('de meesten') of die het op een drinken hebben gezet ('een enkeling').

Toch is ook Larisa niet onverdeeld gelukkig met de schreeuwerige atmosfeer en de straathandelaren die alle modellen skeelers en skateboards hebben uitgestald onder de zilversparren die zij - samen met Russische kosmonauten - op de dag van de ruimtevaart had geplant. “Er komen hier dronkaards, bedelaars, dieven, oplichters, verliefde stellen, opa's en oma's met hun kleinkinderen, en er wordt gehandeld in alles en nog wat. Voor het eerst in de geschiedenis van dit park kun je met recht zeggen dat het een spiegel van de samenleving is.”