Leuren hoeft niet, Vermeulen is zelf bijzonder genoeg

Ives Ensemble met Geert Smits (bariton) en Hans Eysackers (piano). Werken van Vermeulen, Van Baaren en Escher

Nederlands Balletorkest en Noordhollands Philharmonisch Orkest o.l.v. David Porcelijn met Marie Kobayashi (mezzosopraan). Werken van Vermeulen, Schönberg en Skrjabin. Gehoord 7/6 Concertgebouw

Amsterdam. Plaatsvervangende schaamte beving Nadia Boulanger (1887-1979) nadat zij zich tevergeefs had ingezet voor de kamermuziek van Matthijs Vermeulen, haar één jaar jongere Nederlandse collega die in 1921 naar Frankrijk was geëmigreerd. Meerdere vooraanstaande musici toonden belangstelling, maar uiteindelijk ving Vermeulen ook bij hen bot. Over zijn Sonate pour piano et violon (1924-1925) schreef Boulanger aan Vermeulen: “Het is om wanhopig van te worden, en dat terwijl zo veel onnodige muziek de weg verspert. Bekende musici hebben geen tijd en de anderen willen geen risico's lopen.” Dat Vermeulen vrijwel kansloos was met zijn groot bezette symfonieën is nog wel te begrijpen, maar kamermuziek..!

De Sonate pour piano et violon was zaterdag tijdens het Holland Festival in het Amsterdamse Concertgebouw het absolute hoogtepunt van de Vermeulen-middag met lezing, discussie en kamermuziek. 's Avonds was er een glanzende uitvoering van de Derde symfonie 'Thrène et Péan' door het samengevoegde Nederlands Balletorkest en Noordhollands Philharmonisch Orkest onder leiding van David Porcelijn.

De vioolsonate waarvoor Boulanger zich zo had ingespannen ondervond ook in Nederland weerstanden: onspeelbaar, de vioolklank verdronk in de pianopartij. Een specialist in hedendaagse muziek vertrouwde Daniël Ruyneman (een ijveraar voor nieuwe muziek, een 'Nederlandse Boulanger') toe dat de sonate maar beter niet kon worden uitgevoerd om ... Vermeulen te sparen!

Maarten Bon 'ontdekte' de partituur in 1962 bij Donemus en besloot de sonate met Jeannelotte Hertzberger in te studeren. In 1963 kwam het tot een concert met de viool- en cellosonates van Vermeulen en Willem Pijper; René van Ast en Reinbert de Leeuw speelden de cellosonates. Een revival kwam echter niet op gang.

Men kan zich de fascinatie van de pianist Bon goed voorstellen: niet voor niets vermeldt de titel Sonate pour piano et violon de instrumenten in die volgorde. Want hoe indringend de vioolcantilenen ook zijn, het is vooral de pianopartij, soms klinkend als een verkapte symfonie, soms herinnerend aan Messiaen, die voor de onstuitbare stuwing zorgt.

De structuur is streng, gebaseerd op de voortdurend aanwezige basisintervallen van groot-septiem, kleine none en tritonus. Violiste Josje ter Haar had geen toon als een kanon, zij musiceerde ingetogen met een zilver glinsterende klank. Toch wist zij zich gemakkelijk staande te houden in het percussieve geweld dat pianist John Snijders ontwikkelde. Belangrijker dan kracht is bij Vermeulen intensiteit.

Altijd weer leest men als bezwaar tegen Vermeulens muziek hoe overmatig de hoogtepunten gedoseerd zijn. En inderdaad is het alsof Vermeulen geluksgevoelens niet los kan laten en ze mateloos uitrekt. Maar als Vermeulens muziek goed wordt uitgevoerd blijkt de werking perfect en is het geraffineerd afebben van de spanning nauwelijks minder adembenemend. Was in Nederland iemand anders in staat tot het componeren van zo'n onbegeleid dubbelconcert, want die allure heeft dit bijzondere werk. Pijper in een brief aan Vermeulen (1-7-1926): “Muziek in Holland is knudde”.

Ook in de enkele jaren eerder geschreven Derde Symfonie 'Thrène et Péan' (threnos - rouw en paian - overwinningsgezang) in achtereenvolgende gevoelens van elegische, vreugdevolle en weer elegische aard, is de tomeloze kracht naar het slot toe onontkoombaar. Vermeulen stelde zich de compositie grafisch voor in een zigzag stijgende lijn die op het hoogtepunt loodrecht omlaag valt.

Niet alleen die opbouw is een waagstuk, ook de instrumentaties zijn ongewoon, het is alsof de muziek uit de instrumenten wordt gezogen. Met name de strijkers worden uitgerekt, bijvoorbeeld in een molto tranquillo waarin de fluit in het laagste register beweegt tegenover de viool in het hoogste. Later worden andere houtblazers als klarinet en hobo geconfronteerd met weer een zeer hoge vioolsolo.

Hierdoor creëert Vermeulen een ruimtelijke beleving zoals men die ook kan aantreffen bij Varèse; de overeenkomst tussen diens Arcana en het signaalachtige begin en Vermeulens Derde is frappant. En alweer geldt: wie was er in Nederland in staat zulke gedurfde muziek te schrijven? Pierre Monteux, die de wereldpremière van Le sacre du printemps had gedirigeerd, wilde het werk niet uitvoeren omdat een publiek het niet tot het eind toe zou uithouden. De festivalgangers in het Concertgebouw zaterdag luisterden ademloos en bleken na afloop on-Hollands enthousiast.

Valery Gergjev had vorige week bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest de neiging om Vermeulens muziek als het ware te herstructureren in duidelijker afbakeningen en door middel van gematigde tempi. David Porcelijn dirigeerde de Derde juist strak dóórlopend en kwam enkele minuten korter uit dan het ideaal dat de partituur vermeldt.

Van een consensus in de Vermeulen-uitvoering is geen sprake en kan nog geen sprake zijn, daarvoor wordt de muziek te weinig gespeeld. Tijdens het forumgesprek zaterdagmiddag toonde Reinbert de Leeuw zich uitgesproken pessimistisch over de toelating van Vermeulen tot het gespeelde repertoire, Peter-Jan Wagemans daarentegen optimistisch.

Samenvattend: Vermeulen is en blijft ongrijpbaar. De grote laat-romantische orkestbezettingen verwijzen naar een stevige bas, maar die ontbreekt. Het is een schrijfwijze die in bijvoorbeeld a cappella-koormuziek minder zou opvallen. Ook verwacht men een ontwikkeling van zijn thematische gegevens, maar die blijft uit. Vermeulen kiest voor een soort van hymnische free jazz. Vermeulen is Vermeulen, met niets en niemand te vergelijken - de verwijzingen naar Messiaen en Varèse betreffen slechts details - het is niet anders.

Vermeulen is zo bijzonder dat uitvoeringen vanzelfsprekend zouden moeten zijn, zonder dat eeuwige geleur.