Industriële ontwerpers vragen meer erkenning

De Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers (bNO), heeft minister Wijers (Economische Zaken) zojuist een rapport overhandigd over het belang van industrieel ontwerp voor het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven onderkent die waarde nog onvoldoende, vindt de bNO.

DEN HAAG, 9 JUNI. Tot voor kort boterde het niet zo tussen het ministerie van Economische Zaken en Nederlandse industriële ontwerpers. “Terwijl industrieel ontwerp in het buitenland vaak wordt beschouwd als speerpunt in het industrieel ontwikkelingsbeleid, zette Economische Zaken hier de branche altijd in de boterzachte hoek van de cultuur”, herinnert zich professor Wim Crouwel, ontwerper en voorzitter van de beroepsorganisatie bNO.

De situatie is intussen verbeterd. De afgelopen week nam minister Wijers van Economische Zaken uit handen van Crouwel een rapport aan dat het belang van industrieel ontwerp voor het bedrijfsleven belicht. Die overdracht illustreert, wat Crouwel betreft, het feit dat EZ zijn beroepsgroep nu op waarde weet te schatten.

Als gevolg van die miskenning liep de sector volgens de bNO-voorzitter in het verleden regelmatig steun mis. Exemplarisch vindt hij de kwestie rond het Vormgevingsinstituut in Amsterdam. Toen enkele beroepsorganisaties dit instituut vier jaar geleden oprichtten, rekenden zij erop dat de ministeries van Economische Zaken én Cultuur in de kosten zouden bijdragen. Tot Crouwels verbijstering liet toenmalig EZ-minister Andriessen zijn collega d'Ancona er uiteindelijk “alleen voor opdraaien”.

Crouwel, medeoprichter van het eerste Nederlandse ontwerpbureau Total Design en oud-directeur van het Rotterdamse museum Boymans-van Beuningen, betreurt het dat ontwerpers door overheid en bedrijfsleven te veel worden gezien als 'mooimakers': “Er zitten zoveel andere kanten aan design.” Een goed ontwerp kan volgens hem ook bijdragen aan lagere produktiekosten en verantwoord gebruik van grondstoffen.

Dat onderkent EZ nu ook. Wijers zegde de industriële ontwerpers deze week, na ontvangst van het rapport, steun toe. Volgens hem is de marketing van het design het grote knelpunt voor de branche. “Grote ondernemingen kennen de waarde van een goed ontworpen produkt wel, maar ook het midden- en kleinbedrijf moet het belang daarvan inzien.”

Tot Crouwels plezier bestuderen EZ en Senter, de uitvoeringsorganisatie van het ministerie voor onder meer technologieregelingen, mogelijke steunmaatregelen. Zouden ontwerpkosten bijvoorbeeld beschouwd kunnen worden als deel van totale onderzoeks- en ontwikkelingskosten, dan kunnen ze in aanmerking komen voor een technisch ontwikkelingskrediet (TOK).

Daarnaast zou een fiscale tegemoetkoming in de ontwerpkosten kunnen worden gegeven. Tevens wordt bekeken of de regeling voor Kennisdragers in Midden- en Kleinbedrijf (KIM) in meer gevallen kan voorzien in loonkostensubsidies voor industriële ontwerpers.

Zelf stelt de beroepsgroep zich tegenwoordig veel slagvaardiger op. Sinds drie branche-organisaties vorig jaar samengingen in de bNO, die in totaal 2500 ontwerpers telt, is het volgens Crouwel makkelijker geworden hun belangen te behartigen. Aan het einde van dit jaar zullen de beroepsorganisatie en het ministerie elkaar opnieuw treffen om de voortgang te bespreken. Crouwel: “Nu zijn we stappen en stappen verder.”