Ik zou weleens willen weten waar ik ben

Op zijn tocht over water en land komt Rob Biersma, vlak voordat het mooi weer wordt, in de stromende regen aan op Vlieland: het ruigste eiland van de Wadden, maar niet echt 'autoluw'.

Op Vlieland is eigenlijk maar één autoweg, de Postweg van het dorp ('Dorp' wijzen de ANWB-paddestoelen trouwhartig) naar hotel het Posthuys - maar die ene weg wordt dan ook druk gebruikt. Vrachtwagens met keien voor onderhoud van de pieren, militaire busjes naar het schietkamp, de VEONN-bus die ieder uur leeg heen en weer rijdt, bestelauto's voor het Posthuys, de pickup van Staatsbosbeheer, de Rangerover van de rijkspolitie en een groot aantal four wheel drives van onbestemde herkomst. Gemiddeld komt er om de drie minuten eentje voorbij razen en ik moet steeds de berm induiken om niet nat te worden van het opspattende water. Toeristen mogen hun auto niet meenemen naar het eiland en ik had mij 'autoluw Vlieland' dan ook anders voorgesteld.

Langs de wadkant wemelt het van de eidereenden. Als ik de dijk over klim vluchten er tientallen vogels naar het water. Het is broedtijd, dus ze zullen wel op hun nesten zitten. En inderdaad zie ik aan mijn voeten een eendennest, prachtig gevoerd met eiderdons. Ik schaam me dat ik de vogels heb verstoord en ga gauw weer terug naar de autoweg. Hier komen mijn medepassagiers voorbijgefietst van 'De Vriendschap', het veer Texel-Vlieland. Die hebben zeker eerst nog koffie gedronken in het Posthuys. Het 'Hallo, goede reis!' begint na de zoveelste keer op mijn zenuwen te werken. Gelukkig komt er een zijpad dat de duinen invoert. Na een tijdje gaat het over in een bospad dat alle kanten op kronkelt. De zware rugzak begint te drukken en ik zou wel eens willen weten waar ik ben, maar durf in de regen de landkaart niet tevoorschijn te halen. Nou ja, verdwalen kun je niet op Vlieland.

Na een uurtje kom ik op een verharde weg. Een lief, vrijwel leeg kampeerterreintje van Staatsbosbeheer lacht mij plotseling toe. Je moet er een speciale kaart voor hebben, lees ik op de borden. Ik heb wel een hoop lidmaatschapskaarten bij me, maar of een daarvan hiervoor ook geldt, weet ik niet. Ik wil mij melden op het kantoortje, maar dat was alleen open van 9 tot 10. Tja, veel zin om door te lopen naar het dorp met zijn commerciële camping heb ik niet. Van tien jaar geleden herinner ik me vooral de bierlipjes en sigarettenfilters rond de tent en gekmakend geklapper van plastic windschermen. Ik besluit mijn tent hier op te zetten, morgenochtend zien we dan wel verder. De tent is nog nat van vanmorgen en ik zet alles zo luchtig mogelijk op in de hoop dat het zaakje nog wat droogt. Dan ga ik naar het dorp.

Het pad voert langs indrukwekkende duinen. Vlieland is veruit het ruigste eiland van de Wadden. Alleen maar duinen en de zandverstuiving van de Vliehors, bouw- of weiland is er niet. Na een uurtje kom ik in het dorp. Dat blijkt volledig ingericht voor het toerisme, alle huizen in de hoofdstraat zijn winkels. Mensen met korte broek en paraplu lopen zich te vervelen en ik kom ook mijn medepassagiers van 'De Vriendschap' tegen. “Wat is het hier klein, hè”, roepen ze me toe vanaf hun huurfietsen.

In het natuurmuseum lees ik dat de geiten de begroeiing kort moeten houden (minder verdamping) en dat de burgemeester hier geen bad neemt maar onder de 'ekodouche' gaat. Er is op Vlieland een watertekort.

Daar merk ik weinig van als ik terugloop in de regen. Ik neem nu de autoweg en weer raast er iedere drie minuten een auto langs me heen, maar ik durf nu de duinen niet in uit angst mijn kampeerterrein te missen.

Na een uur lopen voel ik dat ik blaren krijg. Mijn schoenen soppen en ik vraag me af waar dat kampeerterrein blijft. Zou ik het misgelopen zijn? Als het donker is, wordt mijn vermoeden bewaarheid: na een bocht sta ik voor het Posthuys, het kampeerterrein ben ik voorbij gelopen.

Wat te doen? Terug over de autoweg? Maar misschien ligt het kampeerterrein wel helemaal niet aan de weg. Ik besluit het pad te nemen door het bos dat ik vanmorgen nam. Bij het licht van de sterren gaat het slinger-slanger terug en na een uurtje dolen vind ik het kampeerterrein dat inderdaad niet aan de autoweg ligt.

Doodmoe en doornat kruip ik in de tent. Gelukkig is het hier een beetje opgedroogd. Ik bevoel mijn blaren die behoorlijk pijn doen, en kruip met een reep chocola en een zakje studentenhaver in de slaapzak. Buiten begint het plotseling te hozen, de regen roffelt op het tentdak. Ik zet het radiootje aan en na een jazzprogramma wordt er goed weer voorspeld. Het wordt zowaar nog gezellig.