Het schip strandt

“WE ZIEN WEL WAAR het schip strandt.” Dat was jaren geleden de reactie van een wetgevingsjurist op het departement van WVC op dringende waarschuwingen dat voorgenomen Nederlandse mediawetgeving tegen buitenlandse commerciële omroep op kabelnetten in strijd was met het Europese recht.

Deze laatdunkende reactie was typerend voor de mengeling van wrevel en laksheid waarmee zelfs goedingevoerde ambtenaren en vakjuristen nog vaak aankijken tegen de rechtsontwikkeling binnen de Europese Unie. De gedachte dat Nederland werkelijk soevereiniteit heeft ingeleverd aan Brussel is voor direct betrokkenen vaak moeilijk te aanvaarden.

Voor de afscherming van de kabelnetten is Nederland inderdaad op de neus getikt door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap in Luxemburg. Dat was echter niets vergeleken bij het pandemonium dat is losgebroken naar aanleiding van de uitspraak van dit Hof in een ogenschijnlijk obscure ruzie tussen twee Belgische beveiligingsbedrijven, de zogeheten Securitelzaak. Nalatigheid van de lidstaten om technische voorschriften in Brussel te melden maakt dat deze niet toepasselijk zijn, zeiden de rechters. Nederland heeft een meldingsachterstand van naar schatting 368 regelingen. Gevolg: de werking van belangrijke onderdelen van de wet- en regelgeving dreigt “ernstig te worden gefrustreerd”, zoals de coördinerend bewindsman Wijers (Economische Zaken) het uitdrukt in een brief aan de Tweede Kamer.

DE DESBETREFFENDE Europese richtlijn dateert van 1983, dus de Nederlandse regering kan moeilijk zeggen dat zij niet was gewaarschuwd. Het Hof van Justitie beoogde duidelijk een schrikeffect met zijn uitspraak. Dat heeft de Nederlandse regering trouwens wel degelijk onderkend. Zij is in de Securitelzaak tussenbeide gekomen, samen met bijvoorbeeld Duitsland en Groot-Brittannië, om het Hof te waarschuwen tegen de gekozen aanpak.

Wonderlijk is wel dat Wijers nu pas in actie komt. De uitspraak van het Hof dateert van 30 april 1996. Medio vorig jaar werd in de vakpers al gewaarschuwd voor “grote gevolgen”. In de maanden die Economische Zaken verspilde, berustte de ambtelijke leiding nota bene bij een erkend specialist in het Europees recht: secretaris-generaal mr. L.A. Geelhoed. Het treuzelen kan komen te staan op fikse schadeclaims. Het Europese Hof heeft in 1990 uitgemaakt dat staten financieel aansprakelijk zijn voor toerekenbare schending van het gemeenschapsrecht.

Erger nog: snelheidscontroles en ademtests in het verkeer zouden in één klap ongeldig zijn. Met terugwerkende kracht zelfs, want het Hof heeft in zijn uitspraak geen begrenzing in de tijd aangebracht. Maar dat Nederland nu aan de lopende band veroordelingen voor rijden onder invloed of snelheidsovertredingen ongeldig moet verklaren, ligt niet voor de hand. De uitspraak van het Luxemburgse Hof heeft betrekking op de internationale concurrentieverhoudingen en niet op handhaving van de nationale strafwetgeving in het verkeer. De strafjustitie behoort in Europese termen tot de derde pijler van het Unieverdrag van Maastricht. Daarin is bewust afgezien van een bevoegdheid voor het Hof in te grijpen in de nationale rechtspleging. Deze bevoegdheid geldt alleen voor de eerste pijler van de sociaal-economische eenwording.

HET EUROPESE HOF verkent voortdurend de grenzen van het mogelijke. Zo verplichtte het vorig jaar Groot-Brittannië om Europese regels over werk- en rusttijden toe te passen ook al had dit land een expliciet voorbehoud gemaakt waar het de sociale paragraaf van Maastricht betrof. Het Hof vond dat Groot-Brittannië toch gebonden was aan algemene bepalingen over veiligheid en gezondheid binnen de Gemeenschap. De ruimte voor interventie van het Hof is echter niet onbeperkt. Concluderen dat bijvoorbeeld arrestanten moeten worden vrijgelaten omdat de overwerkregeling voor bewakend personeel niet deugt, zou de wereld op zijn kop zetten.

De juristen hebben daarvoor een mooie term, het Schutznorm-principe. Dit betekent dat de werking van normen wordt bepaald - en beperkt - door hun doel. Men kan geen beroep doen op een norm die voor een ander is geschreven. Voor de Nederlandse strafrechter behoren de voorschriften over de toelating van apparatuur voor de ademtest tot de “strikte waarborgen”, zo heeft de Hoge Raad gezegd. Dat zijn waarborgen voor de verdachte, niet voor concurrerende aanbieders van meetinstrumenten. Deze laatsten hebben op grond van het Securitelarrest wellicht reden tot klagen. Doorslagggevend voor een veroordeling is dat de strafrechter het gebruikte bewijsmiddel betrouwbaar acht. Dat kan zeer wel het geval zijn zonder Brussels keurmerk.

DE EERSTEJAARSSTUDENT rechten leert: als iemand rozen uit de tuin van zijn buurman pikt om daarmee zijn vrouw te verrassen, is dat diefstal. Maar de bloemist komt niet een claim toe wegens misgelopen klandizie. En over de Schutznorm gesproken: die is geen reden voor het kabinet en de Haagse bureaucratie om trots te zijn op deze episode. Daarvoor heeft het te zeer ontbroken aan daadkracht - en openheid.