Het afscheid van een oude jas

Maatstaf 3, jaargang 45. Uitg. De Arbeiderspers. Prijs ƒ 20.

Hoewel de Nederlandse literatuur belangrijke briefschrijvers kent - Multatuli, Van Gogh, Ter Braak, Du Perron, Reve om er een paar te noemen - is er nauwelijks een epistolaire traditie. Daarom is het geen slecht idee geweest van Maatstaf om twaalf schrijvers in de gelegenheid te stellen hun talent als briefschrijver te etaleren. Ze mochten zelf weten aan wie en de opdracht werd zo ruim geformuleerd dat ze er alle kanten mee uitkonden: het mocht een brief van vroeger zijn, een bestaande of een voor deze gelegenheid geschreven brief. De enige voorwaarde was dat het een nooit verstuurde brief was.

Wat voor soort brieven zijn dat, die nooit worden verstuurd? Soms al te gênante liefdes- of excuusbrieven, haatuitbarstingen en niet te vergeten: zelfbeklag. Alle varianten zijn terug te vinden in Maatstaf. Op de cover zit een envelopje geplakt waarin een briefkaartje met de ondertitel van het tijdschrift: 'Dierbare onverstuurde brieven'. Dat levert veel oud zeer op.

Er is, vanzelfsprekend haast, een brief aan een dode bij, maar ook een demente, een ex-geliefde en ex-vrienden behoren tot de geadresseerden die vergeefs op de post hebben gewacht. Bovendien is er een brief aan een oude jas, de persoonlijkste en ook de interessantste. Deze brief, gedateerd maart 1997, is afkomstig van Renate (voorheen René) Stoute die, nu zij een vrouwenlichaam heeft (kun je in zo'n geval eigenlijk van een nieuw lichaam spreken?) afscheid neemt van wat zij haar oude lichaam noemt, voor haar een jas vol stenen. Huiveringwekkend maar ook moedig vind ik hoe zij de avond voorafgaande aan haar geslachtsveranderende operatie beschrijft. 'Ik diende mij te douchen, mijn hele lichaam rijkelijk met zeep te boenen, om vervolgens mijn bilnaad en geslachtsdeel volkomen van haren te ontdoen. In de doucheruimte bevond zich een grote spiegel, en op zeker moment (...) zag ik mijzelf van hoofd tot voeten in de spiegel. (...) En toen gebeurde het - het zal jou ook zeker niet ontgaan zijn - dat mijn blik zich op mijn meidenpiemel richtte, en dat ik vervuld raakte van een vreugdevol besef. Morgen, dacht ik, morgen kan de toekomst beginnen, want morgen ben ik dat rare, haarloze aanhangsel kwijt! En daarmee, oude kwelgeest, was jouw lot voorgoed bezegeld.'

In een korte toelichting legt Renate Stoute uit hoe haar geslachtsverandering zich vanaf juni 1995, toen de hormoonkuur begon, heeft voltrokken en geeft ze als motief voor het niet versturen van deze brief: 'Hoe verstuur je een brief aan een oude jas vol stenen?!' Stoute heeft ook als enige onder haar collega-schrijvers een reden om van haar niet verstuurde brief een open brief te maken. Dat is tenslotte een mooie gelegenheid om publiekelijk van haar veranderde status kond te doen.

Zo'n dwingende reden hebben de andere schrijvers niet. Weliswaar stelt Kester Freriks, die zich ontroerend tot zijn dementerende moeder richt, dat zij zijn brief niet meer kan lezen, maar waarom anderen dat dan in haar plaats moeten doen, wordt niet duidelijk. Hetzelfde geldt voor A.F.Th. van der Heijden die een nooit verstuurde brief uit 1971 aan een jeugdliefde publiceert. Nu moeten biografen straks uitzoeken of Van der Heijden die brief 26 jaar geleden echt geschreven heeft of dat hij fictie van recentere datum heeft ingeleverd. Ik vermoed eerlijk gezegd het laatste, maar van meer belang is dat het een mooi epistel is. Van der Heijden stelt zichzelf erin voor als een adolescent op zoek naar zijn ware ik, naar authenticiteit, en doet verslag van de met diepe depressies en zelfhaat gepaard gaande strijd die dat kost. Als Nederland op dit moment een epistolair talent heeft, is dat Van der Heijden.

Elma Verharen schrijft aan de niet nader aangeduide vertaler Van T. over 'het grote ego van schrijvers en over het vaak nog grotere ego van diegenen, die zich beroepshalve met literatuur bezighouden (...) als, bijvoorbeeld redacteur, journalist, criticus, etc.' De meeste brieven in Maatstaf vormen een bewijs van deze stelling: ze staan vol rancuneuze verwijten aan critici, redacteuren en collega-schrijvers. Om dat verteerbaar te maken moet een brief wel briljant geschreven zijn, maar daar ontbreekt het in de meeste gevallen aan.

In het redactioneel, deze keer gepresenteerd onder het kopje 'Brief aan de lezers van Maatstaf', wordt aangekondigd dat de redactie van nu af aan alleen maar nummers gaat maken die (ten minste voor de helft) thematisch zijn. Op de agenda staan 'Geloofwaardigheid', 'Het oerboek' en 'Het onzegbare'. Dat hoeft helemaal niet slecht uit te pakken, behalve als ieder thema een alibi voor gemakzucht oplevert. De verleiding blijkt groot te zijn - althans in dit nummer - om snel even een persoonlijk rekeningetje te vereffenen.