Een prachtige, misschien geweldige documentaire

Afgelopen zaterdag wijdde S. Montag in deze krant enige gevoelvolle woorden aan de onlangs overleden cineast/columist Jan Vrijman. Montag beschreef zijn generatiegenoot als een vrijgevochten jongen, die behalve het woord 'nozem' ook nog de uitdrukking 'het Goois matras' heeft bedacht.

Een geweldige prestatie, waarvoor de bedenker met een standbeeld moet worden beloond. Maar bovenal was Vrijman volgens Montag een filmer, die films wilde de maken waarin 'het werkelijk avontuur van het levenwerd vastgelegd'. Nog diezelfde zaterdagavond werd de televisiekijker op zijn wenken bedenkt. Als een hommage aan de overleden filmer zond de VARA de bijna twee uur durende documentaire Op de bodem van de hemel uit, die Vrijman in de jaren zestig had gemaakt. Ik was erg benieuwd naar deze documentaire, omdat Vrijman meer heb gevolgd als columnist en Amsterdams stadsfiguur dan als filmer.

Als columnist en Amsterdams stadsfiguur was Vrijman vaak een opgewonden standje, die de dingen die hij mooi vond 'geweldig' noemde en de dingen hij lelijk vond 'weerzinwekkend'. Daarbij had hij een zekere neiging om zich volkser voor te doen dan hij was. Toen ik eens schreef dat de door Jan Schaefer gebouwde woningwijkjes vanwege de architectonische armetierigheid zo snel mogelijk weer afgebroken dienden te worden, maakte hij zich daar, vanuit zijn fraaie villa aan het Vondelpark, bijzonder kwaadover. In zijn hoekje op de voorpagina van Het Parool bleef hij daar dagen lang over mopperen, want Jan Schaefer was een held voor hem. Ik was dus erg benieuwd wat in de film terug te vinden zou zijn van de latere columnist Vrijman.

Laat ik meteen zeggen dat ik Op de bodem van de hemel prachtig vond. Misschien vond ik de documentaire zelfs geweldig. Aan de structuur en het verhaal van de film lag het niet. Op de bodem van de hemel is opgebouwd uit drie tamelijk willekeurige episodes: het relaas van een straatmuzikant, een paardenmarkt in de morgenkou en een optreden van de evangelist Johan Maasbach. De beelden waren soms wat artistiekerig door elkaar gemonteerd, maar zonder dat het storend werd. De documentaire deed je ook beseffen hoe jammer het is dat er op de televisie nooit meer in zwartwit wordt gedraaid. Al die prachtige vijftiger en zestiger jaren-koppen met hun opgeschoren kapsels kregen in zwartwit een dramatische lading, die in kleur vrijwel onbereikbaar blijft. Opmerkelijk was, tenminste als je Jan Vrijman voor ogen houdt, de afwezigheid van elk commentaar. Vrijman heeft zijn hand voor zijn eigen mond gehouden en dat is ontegenzeggelijk de kracht van de documentaire geworden. Het eind van de documentaire, de reportage over Maasbach,was bijzonder sterk, juist ook omdat je niet wordt lastig gevallen door het waarschuwend commentaar, dat in die dagen gebruikelijk was. Jammer, dat de VARA bij het laatste beeld onmiddellijk de kraan dichtdraaide. Een aftiteling kregen wij niet te zien, zodat wij ook niet te weten kwamen wie destijds het prachtige camerawerk heeft geleverd.

Zondag probeerde ik nog even te kijken naar De laatste ronde, het nieuwe programma van Jos Brink, waarin 'niet met maar rondom een bekende Nederlander wordt gepraat'. Jos Brink is een veelzijdig man, die even gemakkelijk voor de Story of de Privé een columnpje bijeenbabbelt als voor de NCRV een boom over het leven opzet met de christelijke medemens. Sjef Rademakers omschreef hem eens als 'de vleesgeworden presentatorenziekte'. Ook dit keer spatte de verpletterende truttigheid weer van het scherm. Rudi Carell, de gast in De laatste ronde, liet alle stroop en geslijm gelaten over zich heen komen en stak nog eens een sigaretje op.